Groeten uit Vinexland

Vooraf: Rolkoffer

Is het toeval dat ik in de trein een zitplaats heb gekozen die me achteruit naar Vinexland brengt? Of komt het gewoon door de kater van oudjaarsnacht, die mijn aanvankelijke optimisme heeft weggeblazen en die me nu met zorgen vervult over de reis die voor me ligt, zeventien dagen in Vinexland, waar ben ik aan begonnen?

Leest u liever op uw gemak de e-boek versie van dit verhaal? Download het e-boek Groeten uit Vinexland van Tijs van den Boomen hier

Het is donderdag 1 januari 2015, elf uur in de ochtend. Het Jaar van de Ruimte, dat terugkijkt op een kwart eeuw Vinex, is koud begonnen. Die kwart eeuw klopt overigens niet helemaal, want officieel is de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra pas 24 jaar oud. In mijn rolkoffer zit de eigenlijke aanleiding: het boekje Tot in tweeduizendvijftien, een gepopulariseerde versie van de Nota (toen nog zonder Extra). Nu is het plotseling 2015 en is mijn reis langs acht Vinexwijken begonnen.

Hoe liggen de wijken erbij en vooral: hoe vergaat het de bewoners? Individueel gaat het ze goed, blijkt uit vele onderzoeken, maar is dat geluk beperkt tot het eigen huis, of strekt het zich ook uit tot het sociale leven?

De vraag stellen is al een teken van neerbuigendheid, weet ik van Herbert Gans, de beroemde Amerikaanse socioloog die een halve eeuw geleden The Levittowners schreef, een standaardwerk over het leven in de suburbs. Ze is typisch voor de houding van de stedelijke elite, die nieuwbouwwijken met een toeristische blik bekijkt om vervolgens te constateren dat er niets te beleven valt. En erger nog: die haar eigen waarden en behoeftes projecteert op andere klassen – ‘Ik zou er nog niet dood gevonden willen worden.’

Voor de goede orde: Gans woonde twee jaar in een suburb en deed nog jaren aanvullend onderzoek; ik zal twee, soms drie dagen in een wijk verblijven. Maar hoe kort ook, zelf kijken is altijd beter dan alleen nota’s lezen, statistieken analyseren en meninkjes rondpompen.

En dus zit ik nu in de trein met mijn rug naar de toekomst, niet wetend wat de komende weken me zullen leren, maar wel met het vaste voornemen me onder te dompelen: ik zal in Vinexland eten en slapen, flaneren en fietsen, kijken en fotograferen, praten en luisteren, vooral veel luisteren. Vinex, here I come.

Stad van de zon

1 Stad van de zon

Het meer waarop de harde westenwind schuimkoppen blaast, de grote witte tent met vrijwilligers die klaarstaan met handdoeken en oranje Unoxmutsen: alle ingrediënten zijn aanwezig voor de nieuwjaarsduik van de Stad van de Zon. Alleen van de deelnemers ontbreekt nog ieder spoor. Het is plus vijf graden, het voelt als min vijf. Wie zal er zo gek zijn hier vrijwillig langs een uitgezet parcours door het water te rennen?

Acht jaar geleden besloten het wijkteam van de Stad van de Zon en de Heerhugowaardse Onafhankelijke Partij (HOP) de nieuwjaarsduik naar de Vinex te halen. En wat was een betere locatie dan het Meer van Luna, de zandafgraving waaruit de Stad van de Zon is geboren en die de wijk geheel omgeeft, zodat ze een kruising lijkt tussen een eiland en een versterkte veste? Bovendien lag aan de rand van het meer de Waerdse Tempel, een reusachtig muziekcomplex dat dienst kon doen als ontvangstruimte. Het was een instantsucces, mede doordat burgemeester Han ter Heegde manmoedig meedeed.

Vijf jaar lang organiseerde de Stad van de Zon de duik, toen was de puf er een beetje uit: een ander wijkteam moest het stokje maar overnemen, het was tenslotte geen exclusief Vinexfeestje, de hele gemeente liep ervoor uit. Bovendien was de exploitant van de Waerdse Tempel inmiddels over de kop gegaan en was het gebouw verzegeld. De gemeente sponsorde een tent, een ander wijkteam trad aan, de HOP zette zijn organisatorische schouders eronder en de duik bleef behouden.

En dus stromen tegen twee uur bijna vijfhonderd Heerhugowaarders toe voor hun fifteen seconds of fright. Zeker in bikini of zwembroek is niet uit te maken wie in de Vinex woont en wie niet, zoals het hele onderscheid tussen Vinexwijk en niet-Vinexwijk in Heerhugowaard niet altijd makkelijk is – alles is hier nieuw. Dat is een van de redenen waarom de burgemeester, in vol ornaat aanwezig, zich zo inzet voor gemeenschapsvorming – wat er in Heerhugowaard gebeurt, zo hoor ik van iedereen: Han ter Heegde is er.

’s Avonds kan ik kiezen tussen patat en Chinees. Voor de locatie maakt het niets uit, want snackbar Family en Chinees restaurant Kaihua huizen onder één dak. De menukaart – ‘Eet ook eens hier’ – en de tafeltjes langs de muur nodigen de gasten uit de maaltijd ter plekke te nuttigen, maar dat wil niet zeggen dat zoiets ook gebruikelijk is. Uiteindelijk ontdekt de eigenaar dat hij mijn bestelling op de kassa moet aanslaan onder ‘op rekening’, om te voorkomen dat ik bij elk gerecht en elk biertje vooraf moet betalen. Hoe klein de Stad van de Zon ook is – nog geen kilometer in het vierkant – de norm is hier dat je je bestelling per brommerkoerier laat bezorgen, slechts een minderheid komt zelf afhalen.

Als ik na het eten naar mijn Airbnb-adres loop, is het stil. De straten zijn opvallend schoon. Als er al vuurwerkresten te vinden zijn, dan liggen die netjes bijeengeveegd in de betegelde voortuin. De vierkanten, cirkels en ovalen die architect Ashok Bhalotra voor het stedenbouwkundige plan gebruikte – hij ontvoerde naar eigen zeggen ‘een vierkant uit de Mondriaans geordende graslanden’ –, blijken voor de wandelaar helemaal geen abstracte hocus pocus op te leveren, maar een prettige, dorpse afwisseling met doorkijkjes en tussenruimtes. In een kromming van de weg zie ik, als in de folder van een projectontwikkelaar, ineens tien puntdaken die met dezelfde kerstverlichting getooid zijn.

Ondanks mijn keurige nieuwe jas lijkt het me niet zo’n goed idee mensen op nieuwjaarsavond te overvallen met de vraag ‘hoe dat nou zo gekomen is’. Dus bel ik de volgende morgen aan bij Hemelboog Buiten 27 en zit binnen de kortste keren aan de koffie. Acht jaar geleden kwamen Rob en Astrid hier met hun dochters wonen en het klikte meteen met het rijtje buren van nummer 13 tot en met 31. Ze zijn hecht: de kerstverlichting brandt van Sint Maarten tot eind januari, mijlpalen worden gezamenlijk gevierd, de mannen koken en vissen samen en dit jaar was de Postcodeloterij hun genadig en dus zal er in mei een touringcarbus voorrijden om hen naar de Toppers in de Amsterdamse Arena te brengen.

Ze zijn uit Alkmaar hierheen gekomen vanwege het vrijstaande huis. Rob: ‘Nee, niet vanwege dat duurzame verhaal. Ik dacht eerder: wil ik die zonnepanelen wel? Maar nu lach ik me rot om de rekening: dankzij de subsidie krijg ik aan het einde van het jaar zelfs geld terug.’ Het zou Herbert Gans niks verbaasd hebben: mensen verhuizen omdat ze een betere woning willen, niet vanwege de gemeenschap die hun in brochures wordt voorgespiegeld. En vervolgens kijken ze zelf of het nodig is om in hun nieuwe omgeving actief te worden.

Wat de buren van Hemelboog Buiten mede aaneen smeedde was een externe dreiging, of meer een dreiginkje: de invulling van de overzijde van de straat, waar ze de eerste jaren onbekommerd volleybal speelden omdat de geplande bungalows door de crisis onverkoopbaar bleken. Toen het gerucht ging dat daar een muur van rijtjeshuizen zou verrijzen, kwamen ze in actie. Dat hielp, glimt Rob, nu staan er slim gepositioneerde twee-onder-een-kappers, waar ze goed tussendoor kunnen kijken.

Een gemeenschappelijk probleem blies ook de enige officiële protestbeweging van de wijk, het Luna Wind Comité, leven in: overlast van drie windturbines aan de westzijde van de wijk. Op het eerste oog staan ze er prima: aan de overzijde van het meer, langs de provinciale weg van Alkmaar naar de Kop van Noord-Holland. Wie zou daar nu last van hebben?

De turbines blijken ongenode gasten, in de oorspronkelijke plannen kwamen ze niet voor. Halverwege de aanleg van de wijk – de meeste woningen waren op papier al verkocht – bleek dat zonne-energie niet voldoende was om de wijk energieneutraal te krijgen, een eis die de Europese Unie had gesteld aan haar ruimhartige subsidiëring. Op zich volstond één windturbine om het energietekort aan te zuiveren, maar de gemeente had zelf ook duurzaamheidsambities en dus werden het er drie.

Het windcomité opereert op kousenvoeten, en ook de tegenspelers – de gemeente Heerhugowaard en energieproducent Eneco – zijn behoedzaam. Formeel blijken er geen fouten te zijn gemaakt: de windreuzen staan meer dan driehonderd meter van de eerste huizen. Bewoners die geld eisten voor de waardevermindering van hun huis – geroutineerd aangeduid als ‘planschadecompensatie’ –, kregen bij de rechter dan ook het deksel op de neus.

Toch hebben hun protesten effect gehad, vertellen de drie leden van het comité: de provincie Noord-Holland houdt tegenwoordig een cirkel van vijfhonderd meter aan, Heerhugowaard schrapte het plan voor 23 turbines elders in de gemeente en Eneco bestudeert momenteel de klachtendagboeken, speurend naar maatwerk om de overlast te minimaliseren. En daarmee is het windcomité, dat moet schipperen tussen een bewoonster bij wie de overlast ‘op d’r hart is gaan zitten’ en buren die vinden dat ze ‘hun kop moeten houden om de huizenprijzen niet in gevaar te brengen’, voorzichtig tevreden.

Auteur Tijs van den Boomen stuurde vanuit elke Vinexwijk een ansichtkaart aan Hans Leeflang, de topambtenaar die 25 jaar geleden aan de wieg van de Vinex stond. Verder kregen een kleine duizend mensen de kaarten via de Nieuwsbrief van het Jaar van de Ruimte

Intermezzo: Metro B

In de achterruit van de bus verdwijnt mijn eerste Vinexwijk langzaam uit zicht, het laatste dat ik zie zijn niet de windturbines, maar de zestig jaar oude populieren die als een lint dwars door de wijk lopen. Vorig jaar zijn ze ‘gekandelaberd’, om te voorkomen dat er takken van afwaaien.

De Stad van de Zon is een dorp in een modern jasje, bedenk ik, zelfs aan dorpsgekken is gedacht: vanuit het AC, het activiteitencentrum, zwermen verstandelijk gehandicapten uit over de wijk om glas op te halen en papier te prikken. Bejaarden ontbreken evenmin, zoals de 86-jarige mevrouw Eppinga, die weer helemaal de oude is geworden sinds ze drie jaar geleden hierheen verhuisde. Niet dat ze nog buiten komt, maar al die jonge mensen die ze over het plein ziet lopen, dat vindt ze heerlijk.

Dankzij de app 9292 is ook de reis per openbaar vervoer behoorlijk Vinex: moeiteloos stap ik van het ene vervoermiddel op het andere, alles grijpt in elkaar, alsof de wereld een goed afgesteld uurwerk is. Amsterdam ligt achter me voor ik het in de gaten heb en op Utrecht Centraal, dat ik deze reis driemaal aan zal doen, stap ik over op de boemel naar Rotterdam Alexander.

En daar is Metro B al, de bovengrondse metrolijn naar mijn eindbestemming. De stedenbouwkundige jaarringen van Rotterdam trekken voorbij: de strakke betonnen flats van Ommoord uit de jaren zestig, de beige jarenzeventigbouw van Nieuw Verlaat, de grijze blokkendozen en dito rijtjeshuizen van Ambachtsland uit de jaren tachtig.

Bij Station De Tochten stap ik uit, op de grens van Nesselande. De jaren negentig beginnen met de gloedvolle bakstenen van de Charley Toorop Toren. Dat de grote stad niet ver weg is, blijkt uit de roestvrijstalen driehoeken die zijn aangebracht in de nissen, die moeten wildplassers ontmoedigen. Op straat liggen her en der vuurwerkresten.

Nesselande

2 Nesselande

‘Oké, nu zijn we allemaal stil, dan kunnen degenen die dat willen bidden.’ De boodschap van Wilma Luijten maakt niet veel indruk op de jongste Vinexscouts die zijn aangeschoven voor de gezamenlijke boerenkoolmaaltijd. Uitgelaten trommelen ze met vork en mes op tafel: ‘Eten! Eten! Eten!’ Benieuwd kijk ik toe hoe deze krachtmeting gaat aflopen, maar daarmee blijk ik Wilma schromelijk te onderschatten. Ze zet haar handen in haar zij en zegt zonder veel stemverheffing: ‘Stilte, anders wordt er niet gegeten,’ en dat is het.

In 2008 raakte Waterscoutinggroep Dorus Rijkers haar plek in Spaanse Polder kwijt, ze werd door de gemeente Rotterdam naar Nesselande gestuurd, want daar lagen een kinderrijke nieuwbouwwijk en een groot water, de Zevenhuizerplas. Maar dat was de leden te ver, en dus zaten er dat eerste jaar twee ‘leidingen’– zoals kaderleden bij de scouting heten – en één jeugdlid in een container op het strand.

Langzaam kwam de toeloop van nieuwe leden op gang, ouders vormden een bestuur, aan de rand van de plas werd een eigen clubhuis gebouwd, maar nieuwe leidingen – de scoutinggroep telt er inmiddels zes, plus twee aspiranten – bleken in Nesselande niet te vinden, die komen nog steeds uit de oude stad. Wilma: ‘Het is een moeilijke wijk om te activeren, allemaal mensen met dure huizen die hard werken en veel op vakantie moeten.’

Wilma, een alleenstaande werkende moeder die inmiddels in de Hoeksche Waard woont, rijdt elke zaterdag 35 kilometer heen en 35 kilometer terug om hier Vinexkinderen onder haar hoede te nemen. Waarom? ‘Ik bood aan een halfjaar in springen.’ Dat is nu zes jaar geleden en ze zit er nog steeds, want dit werk is ‘vrijwillig, maar niet vrijblijvend’.

Bestuurslid en Vinexmoeder Renka Vermaas zegt ronduit dat de vereniging zonder mensen als Wilma niet zou kunnen functioneren: ‘We willen ze graag een onkostenvergoeding betalen, ouders vinden contributieverhoging geen punt. Maar de leidingen zelf zijn ertegen: scouting moet laagdrempelig blijven.’

De wereld van de scouting is van een ouderwetse eenvoud – geen mobiele telefoons, geen computers, geen competitie, samen spelen, iedereen doet mee. Het lijkt wel of oude Rotterdammers de hoogopgeleiden hier een lesje leren, denk ik als ik over het donkere strand naar de verlichte appartemententorens aan de boulevard van Nesselande loop, in ieder geval heeft deze club diepere wortels dan de Vinex.

Herbert Gans constateerde dat landelijke organisaties die een filiaal openen in de suburbs – of het nu kerken, liefdadigheidsverenigingen of sportclubs zijn – zich aan moeten passen aan de lokale verhoudingen om voet aan de grond te krijgen. Voorlopig lijkt de scouting een uitzondering op deze regel, mede dankzij Wilma en haar beide zoons, die ook leidingen zijn geworden – de oudste husselde vanmiddag de boerenkool met een stucmixer.

De solide diesel van de vrijwilligers bij de scouting contrasteert met de moeizame pogingen van ondernemers om zich te verenigen. Nesselande telt veel zzp’ers: op een van de vijf adressen staat een bedrijf ingeschreven, dat is de op een na hoogste score van de acht wijken die ik bezoek. Het is ook de enige van de acht wijken die haar moederstad – Rotterdam dus – in ondernemerschap voorbijstreeft.

Twee dagen voor mijn komst hief Ondernemersclub Nesselande, die in 2009 het licht zag, zichzelf op wegens gebrek aan actieve leden. De Lionsclub Rotterdam Nesselande is na jaren nog altijd in oprichting en de ‘exclusieve businessclub’ Ondernemersbrug blijkt bij nadere inspectie slechts het vehikel van een sponsored magazine. Daarmee resteert alleen nog de Open Coffee Nesselande, die elke laatste woensdagochtend van de maand zijn deuren opent voor ‘de leukste koffieochtend voor ondernemers’. Tegen die tijd ben ik allang weer verder, dus ik kan niet checken of de werkelijkheid levendiger is dan de website, waarop alleen een instructiefilmpje naar een multifunctioneel gebouw te vinden is.

Blijkbaar gaan ondernemerschap en gezamenlijkheid moeizaam samen, want in andere Vinexwijken is de situatie nauwelijks beter: in Vathorst blijkt het ZZP Café, een initiatief van cultureel ondernemer en theoloog Jos van Oord, allang opgeheven en in de Waalsprong zal ik bij het Ondernemersnetwerk Nijmegen-Noord, dat een grote gesubsidieerde ruimte met flexplekken beheert, voor een gesloten deur komen te staan.

Nesselande is groter dan de gemiddelde Vinexwijk, toch noemen de twaalfduizend inwoners hun wijk klein. Groot, dat is Leidsche Rijn, vinden ze eensgezind, ook al wonen daar maar ruim tweemaal zoveel mensen. Misschien komt het omdat Rotterdam zo groot is en zij daarvan zelf zo nadrukkelijk het witte, rijke randje vormen – de huizen zijn hier bijna tweemaal duurder, het aandeel allochtonen ligt de helft lager dan in de stad. Daarmee is het contrast tussen Nesselande en zijn moederstad groter dan bij andere Vinexwijken die ik aandoe. De Rotterdamse jongeren van Zuid, die in de zomer in de metro springen om in de Zevenhuizerplas te komen zwemmen, vinden ze hier al snel een invasie.

In de vroege zomer van 2008 kwam het op het strand tot ongeregeldheden tussen groepjes autochtone jongeren. Net als de eerste kras in een nieuwe auto diepe indruk maakt, zo sudderde ook dit incident nog lang na. Er kwam een permanent alcoholverbod rond het strand, zelfs in de wintermaanden hangen er in heel Nesselande verbodsborden met ‘alc. 0%’. De eigenaar van Suri-IJs & More, die zelf ook in Nesselande woont : ‘Je moet de situatie aanpakken, niet de alcohol. Nu lijden de goeden onder de kwaden. Maar ja, mensen hier vinden een groepje al snel grimmig.’

Afkeer van het afwijkende ligt in een nieuwbouwwijk voor de hand, toch had ik dat juist in Nesselande niet zo verwacht. Waarschijnlijk had ik me in de luren laten leggen door de stoere aanblik van de wijk, met de 65 meter hoge torens aan het strand, de kassen in de polder die de hemel ‘s nachts in een grootstedelijke gloed zetten en de metro die de wijk op spectaculaire hoge betonnen poten doorsnijdt en abrupt ophoudt.

Voor de crisis waren er plannen om deze lijn door te trekken naar de Zuidplaspolder, de post-Vinexwijk die op het diepste punt van Nederland moest komen, maar inmiddels durft geen planoloog daar nog op te hopen. De toekomst is aan bottom-up en zelfbouw: in het verlengde van de metro liggen vijfhonderd vrije kavels te koop. Huisje, slootje, wilgje.

Zondagmorgen, de kerkdienst in multifunctioneel gebouw De Knoop trekt een kleine driehonderd mensen, onder wie opvallend veel gezinnen met jonge kinderen. Net als de scouting is ook de Kerk in Nesselande een initiatief van buitenstaanders; niet uit de stad in dit geval, maar uit het aanpalende dorp Zevenhuizen, dat in de Biblebelt ligt. De Hervormde Gemeente stelde een ‘missionair opbouwwerker’ aan, die bij de nieuwe bewoners van Nesselande op huisbezoek ging. En toen kreeg het initiatief zijn eigen loop, precies zoals Gans een halve eeuw geleden al beschreef.

Dominee Marien Kollenstaart, sinds een halfjaar de nieuwe dominee: ‘Er kerken hier ook mensen uit Zevenhuizen, die vroegen om bijbelstudie, maar mensen uit Nesselande zijn daar helemaal niet mee bezig. En zij gaan voor, ik wil er in de eerste plaats zijn voor de authentieke Vinex’ers. Hoogopgeleide mensen vaak, die bijvoorbeeld worstelen met vragen over wetenschap en geloof, of die misschien kampen met relaties die onder druk staan.’

De aanpak van de dominee werkt, vindt Bertine Blom, die hier belandde op zoek naar inspiratie voor haar gezin met vier kinderen: ‘We zijn veel verhuisd, het geloof bleef beperkt tot uitzendingen van The Hour of Power. Maar ik heb behoefte aan inspirerend en coachend leiderschap, aan preken waar ik maandagmorgen wat mee kan, en mijn katholieke man ook. Dat vinden we bij deze dominee.’

Kollenstaart kijkt discreet naar zijn schoenpunten bij de stroom moderne complimenten en begint snel over zijn nieuwe initiatieven: een cursus Jouw Spiritualiteit, zes avonden waarop mensen kunnen ontdekken wat voor soort gelovige ze zijn. Plus een gebedsservice op maandagmorgen: bidden van zeven tot kwart voor acht, zodat je geestelijk fit aan de week begint.

Intermezzo: Infrastructuurlandschap

Maandagmorgen 5 januari, nu begint de grote Vinex reality check, denk ik op weg naar Reeshof in Tilburg. Niet meer het staartje kerstvakantie van de Stad van de Zon, niet meer het Nesselandse weekendgevoel met restaurant Lookies dat open is ‘tot gezellig’, maar de eerste gewone maandag van het jaar. Nog net geen blue monday, die is pas over twee weken.

Op het ondergrondse Station Rotterdam Blaak moet ik overstappen van de metro op de trein. Er moet een verbinding binnendoor zijn, maar die kan ik niet vinden en dus kom ik even boven. De stad maakt na vier dagen Vinexland een ronduit chaotische indruk. Waarom is het hier zo’n rotzooi? Waarom zo’n herrie? En waar gaan die mensen allemaal naartoe? Ik duik het treinstation in, terug naar de geordende wereld van het ov.

Nog lang vergezelt het randstedelijk infrastructuurlandschap me achter de treinramen, pas voorbij Dordrecht keert de rust weer. Over de majestueuze brug over het Hollands Diep rijd ik Zuid-Nederland in. Nog eenmaal wordt mijn gemoed verstoord als ik op een bedrijventerrein in Breda een man wijdbeens op de licht besneeuwde grond zie zitten, zijn schamele bezittingen om zich heen. Mijn gastvrouw in Tilburg weet later te vertellen dat daar een daklozenopvang is, haar drugsverslaafde ex-man heeft er een tijdje gezeten.

Het station van Breda zelf is balsem voor de Vinexziel. Het is weliswaar nog niet af, overal staan hekken en liggen hopen zand, maar je ziet al hoe het wordt: efficiënt, ruim, licht en helder – de nieuwe standaard. En straks kun je je auto op het dak van het station parkeren.

Reeshof kaart

3 Reeshof De Wijk

Shit, honger had ik al, en nu heb ik ook nog een lekke band. Reeshof De Wijk is het soort Vinexwijk dat ik voor mijn vertrek al vreesde: geen winkel of café te bekennen. Zelfs mijn noodgreep – een prefab sandwich met een gratis bakkie bij de koffiecorner van de plaatselijke supermarkt – mislukte hier dus. En een fietsenmaker om mijn band te plakken kan ik helemaal wel vergeten. Bizar eigenlijk dat juist deze Vinexwijk ‘De Wijk’ heet, terwijl het kenmerk van wijken juist is dat ze voorzieningen hebben.

‘De Wijk’ wordt dan ook alleen in officiële stukken gebruikt om de buurten aan te duiden die ten zuiden van het spoor Breda-Tilburg liggen. In de praktijk heeft iedereen het gewoon over Koolhoven en Witbrant en daartussenin, nog net in Witbrant, liggen Station Reeshof en het Reeshof College. En dat laatste lijkt mijn redding, want op het schoolplein vertellen twee meisjes me dat ze een fietsenwerkplaats hebben waar derdejaars het vak leren. ‘U heeft pech,’ zegt de leerling achter de balie, ‘de fietsenmaker die ons lesgeeft is er alleen op donderdag. Maar ik kan wel koffie voor u maken, want ik doe vandaag de koffiecorner.’

Hij blijkt Jasper Kroon te heten en is blij met mijn komst: de hele ochtend is er nog niemand geweest. Hij heeft al voorgesteld om een spandoek op te hangen, zodat treinreizigers zien dat ze hier koffie kunnen drinken, maar daarvoor had de school geen geld.

Over Vinexwijken hebben ze het bij aardrijkskunde gehad: ‘Je hebt rijke en arme stukken in een stad. Koolhoven is bijvoorbeeld best rijk, en Broekhoven best arm.’ Broekhoven is de volkswijk waar Roy Donders, de Stylist van het Zuiden, vandaan komt, zelf woont Jasper sinds zes jaar in Koolhoven. ‘Maar bij ons is het ook best gezellig, we hebben veel contact, het is gewoon “hoi” en dan “hoi” terug. Dat komt omdat we nu in een lange straat met rijtjeshuizen wonen, vroeger woonden we in een hofje, dan zie je veel minder mensen.’ Terwijl ik mijn espresso drink, gaat Jasper vragen of ik zelf mijn band mag plakken in de werkplaats.

Als ik weer mobiel ben, blijkt dat ik niet rechtstreeks door kan steken naar de wijk van Jasper, want tussen Witbrant en Koolhoven ligt de negen-holes-golfbaan van boer Toon Voskens. Zijn grond heeft de boer ruim tien jaar geleden al aan een bouwconsortium verkocht, maar de crisis gooide roet in het eten. Hij was zo slim om te bedingen dat zijn golfbaan open mocht blijven tot de woningen er staan. ‘Vroeger molk ik koeien, nu mensen,’ grapt hij, terwijl twee transporthelikopters van vliegbasis Gilze-Rijen dreunend over wentelwieken.

De aangekondigde nieuwbouw heeft wel voor leegloop gezorgd, van de achthonderd leden zijn er nog maar tachtig over. Het is goedkoop – 600 euro voor een jaar of 125 voor een tienrittenkaart – en daardoor ideaal voor buurtbewoners die willen leren golfen. Maar als ze het spel eenmaal onder de knie hebben, verdwijnen ze vaak naar een echte club. Om extra mensen te trekken, biedt Voskens sinds kort ook voetgolf aan met holes in de vorm van speciekuipen, en zijn wandelaars welkom voor een kopje koffie en een kom zelfgemaakte snert. Dat is precies wat ik nodig heb.

Makelaar Paul Mols volgt het wel en wee van De Wijk vanaf het begin. ‘Toen Witbrant-Oost in 2005 werd opgeleverd, was het een hype in Tilburg en wijde omgeving. Het was the place to be, mensen stonden in de rij.’ De grote bungalows met inpandige garages schitteren je nog altijd oogverblindend wit tegemoet, en de brede straten met volwassen leilindes verraden de strakke regie die de gemeente voerde. Maar of dat de prijzen op peil zal houden? ‘Ik zie niet goed wie straks de opvolgende kopers moeten worden, voor dat geld kun je overal terecht, in de omliggende dorpen, maar bijvoorbeeld ook aan de haven, die nu wordt herontwikkeld.’

Mols merkt dat Koolhoven met zijn woningen in jarendertigstijl, die zeer in trek zijn bij gezinnen, veel stabieler is. Hoewel de wijk pas voor tweederde klaar is – op de golfbaan staan nog zeshonderd woningen gepland – is de lagere school nu al de grootste van Tilburg. Ze puilt uit en moet lokalen huren in de krimpende scholen aan de noordkant van het spoor, in het oudere deel van Reeshof.

De verschillen tussen De Wijk en de rest van Reeshof komen ook tot uiting in de manier waarop mensen hun buurt aanduiden. Aan beide zijden van het spoor zijn de straten vernoemd naar kleine Nederlandse gemeentes. Aan de noordkant van het spoor heb je bijvoorbeeld een buurt die loopt van Simpelveld tot Sneek, naast een buurt van Ravenstein tot Ridderkerk. Dat die twee samen officieel weer Dalem heten, dat interesseert niemand: je zegt dat je in de S-Buurt of in de R-Buurt woont. Ten zuiden van het spoor werkt dat anders: niemand heeft het daar over de V- en de W-buurt, daar gaat het over Koolhoven, of zelfs over ‘het dorp’.

Het zijn kleine demarcatielijnen, die De Wijk status en eigenheid geven, maar die ook de geïsoleerde positie van de buurten onderstrepen. In Koolhoven kun je alleen buitenom komen, via de N260, de Tilburgse ring. Er is weliswaar dwars over de golfbaan een weg binnendoor van Wibrant naar Koolhoven gepland, maar het is de vraag of die er ooit komt, want nu al protesteren Koolhovenaren tegen de overlast van auto’s. Zelfs het ontbreken van een fietspad naar het station lijkt de bewoners niet te deren, alsof ze zich koesteren in splendid isolation.

Is dat de achtergrond van de verrassend grote saamhorigheid? In ieder geval telt de besloten Facebookgroep van Koolhoven bijna zeshonderd leden – hier wordt eten ingezameld voor de voedselbank, kinderkleding te koop aangeboden en gewaarschuwd voor alle mogelijke vormen van onheil: ‘Vuurwerkresten… zijn mogelijk giftig… politie heeft ze gisteren opgehaald… blijf alert!!!’

Virtueel contact was niet genoeg, vonden Sandra de Weijer, een geboren en getogen Brabantse, en Marije Blom, een ‘westerse’ die haar Vinexsporen al eerder verdiende in Houten. Ze kennen elkaar als klassenmoeders, vertelt Marije, die bewust actief werd op school om nieuwe mensen te ontmoeten: ‘Iedereen lijkt elkaar hier van vroeger te kennen, dat maakt het lastig ertussen te komen.‘

Dit jaar organiseerde ze een walking dinner, waarvoor ze, verspreid over de wijk, achttien stellen schriftelijk uitnodigde, twaalf deden er uiteindelijk mee. ‘Je merkt dat mensen die in de Vinex hun draai niet kunnen vinden inmiddels verhuisd zijn, de overblijvers gáán ervoor.’ Mengde het goed? ‘Het waren natuurlijk allemaal koopwoningen, dat wel.’ Het is een antwoord dat zo in de studie van Herbert Gans had gepast: klasse blijkt de grote motor achter groepsvorming.

Voor lossere contacten geldt dat minder. Sandra belde bijvoorbeeld huis aan huis aan of mensen mee wilden doen met een kerstroute door de wijk: ‘Het liep als een trein, 83 mensen zetten iets in hun voortuin of achter hun raam.’ Kopers of huurders, dat maakte geen verschil, wel wie de deur opendeed: ‘Als je een man treft, en zeker als die alleen thuis is, dan weet je al dat het niks wordt.’ Marije, proestend: ‘Net als op school: bij schoolreisjes staan de mannen in de rij om mee te gaan als begeleider, maar bij het ophangen van de slingers zie je ze niet.’

Intermezzo: AH to Go

Als een echte forens sta ik woensdagochtend in het donker op Station Tilburg Reeshof te wachten op de trein naar Nijmegen. Volgens de plannen had dit het kloppend hart van De Wijk moeten worden, dichtbebouwd en levendig. Misschien komt dat nog als in de lente het appartementencomplex aan de noordzijde van het station wordt opgeleverd, maar het feit dat buurtbewoners erin slaagden een streep door de geplande supermarkt te zetten – zelfs een AH to Go accepteerden ze niet – doet het ergste vrezen. Stedelijkheid is blijkbaar niet waar het in De Wijk om draait, hoe verleidelijk de schetsen van stedenbouwkundigen ook mogen ogen.

Voorbij Den Bosch wordt het minder druk in de trein, het eerste licht strijkt door de coupé. Aan de andere kant van het gangpad kwetteren drie hoofddoekjes opgewonden over school, mobiele telefoons, vriendjes, apps, stageplekken, het leven. Hun Brabantse zachte G harmonieert wonderwel met de moderne taal die ze bezigen – ‘Die jongen is echt kapot mooi, ik zweer het je.’ Een paar uur later zal in Parijs de redactie van Charlie Hebdo worden uitgemoord en zullen ze zich ineens moeten verdedigen: bij wie hoor je, bij hen of bij ons? Bizar.

Lent blinkt in de ochtendzon. Het noodstation – een verhoogd plankier met trappen uit 2002 – blijkt plaats te hebben gemaakt voor een echt perron met een rank glazen liftgebouwtje met een halfronde kap om onder te schuilen. In de verte liggen de bruggen naar de oude stad, dichterbij de kerktoren van oud-Lent.

Waalsprong kaart

4 Waalsprong

Hoe doe je dat, jezelf herdefiniëren als Vinexmens? Martine van Harten woont en werkt in de binnenstad van Nijmegen en kocht, een beetje tot haar eigen verbazing, onlangs een kavel in de Waalsprong. De Vinex, dat was toch altijd een beetje ‘les autres’, maar ze heeft nog even tijd om aan het idee te wennen: ze gaat het huis zelf bouwen.

Vorig jaar leerde ze de Waalsprong kennen door Bas, een vriend die er jaren geleden al was gaan wonen en die rondstruinend door zijn nieuwe omgeving op vervallen hoogstamboomgaarden was gestuit. Hij stak Martine aan met zijn enthousiasme over deze restanten van het tuinbouwverleden en samen richtten ze een stichting op, Co-bomen. Van de gemeente kregen ze vier boomgaarden in beheer en voor ze het wisten hadden ze ruim honderd leden die 35 euro per jaar bijdragen om er ‘de vruchten van te plukken’.

In de druilerige regen laat ze me het Hoefijzer zien, een kleine boomgaard met oude, scheve bomen aan de voet van de dijk. ‘Vorig jaar was het nog een ondoordringbaar woud. Fantastisch om daar met zaag en snoeischaar in door te dringen en te ontdekken wat er allemaal staat.’ Vanwege de oprukkende nieuwbouw gaat het Hoefijzer volgende week alsnog tegen de vlakte. Spijt van al het werk heeft ze niet: ‘Alles wat we hier doen is meegenomen. Dit voorjaar gaan we met Smitjesland aan de slag.’

Op de reusachtige maquette in de hal van het Wooninformatiecentrum Waalsprong zoek ik de plek waar Martine haar huis gaat bouwen. Het is zo’n maquette die onwillekeurig aan China doet denken, waar elke metropool beschikt over een miniatuurversie met gekleurde blokjes en lijntjes om de tomeloze groei aanschouwelijk te maken. Maar er valt ook meteen een verschil op: hier zijn maar weinig blokjes en vooral heel veel vlakken die nog ingevuld moeten worden. Deze Vinexlocatie is pas voor een derde af, er moeten nog 8.500 woningen bij komen, maar hoe en waar precies?

Dan valt mijn oog op een vlaggetje dat in een hoekje van de maquette is geplant, op de plek waar de rivier de stad nadert. Met de tekst – op het eerste gezicht een beetje dubbelop – ‘Plant je Vlag’. Het blijkt een van ideeën te zijn die de ontwikkeling van de wijk aan moet jagen.

‘Om de vrije kavels aan de man te brengen, hebben we gepraat met de linkse scene in Nijmegen,’ vertelt woonconsulent Monique Zuring, ‘en daaruit leerden we dat we het vooral geen Waalsprong moesten noemen, dat is hier synoniem met Vinex en dan zouden kunstenaars en vrije beroepers meteen afhaken.’ Het werkte: van de eerste tweehonderd kavels zijn er nog maar tien over. Ze vertelt het blijmoedig, maar toch moet het haar ergens pijn doen dat Vinex ‘een beetje een vies woord’ is geworden, want zelf woont ze al vijftien jaar in het oudste deel van de Waalsprong en zet ze zich er met hart en ziel voor in.

Doordat in dit tuinbouwgebied al twee dorpen lagen, bestaat de Waalsprong uit twee heel verschillende delen. Oosterhout, dat stroomafwaarts ligt, wist zijn gemeentelijke onafhankelijkheid te bewaren. De Vinexwijk die er tegenaan werd geplakt kreeg weliswaar dezelfde naam, maar staat letterlijk en figuurlijk geheel los van het oude dorp. Zelfs bestuurlijk hebben ze niets met elkaar te maken: oud-Oosterhout valt onder de gemeente Over-Betuwe, nieuw-Oosterhout is onderdeel van Nijmegen.

Stroomopwaarts, en een stuk dichter bij Nijmegen, ligt Lent. Dit dorp mocht eind jaren negentig dan al wel zijn ingelijfd, de bewoners en tuinders verzetten zich met hand en tand tegen de Vinex. Tegelijk wachtte een complexe infrastructurele knoop op ontwarring – onder andere met een extra brug over de Waal – en moest er ook nog eens een geul dwars door het dorp worden gegraven om de rivier meer ruimte te geven. Kortom, het duurde in Lent allemaal veel langer dan gepland, maar op de maquette is te zien hoe de rode huizenblokjes van nieuw-Lent – waaronder die van Plant je Vlag – een begin hebben gemaakt met de omsingeling van de witte huizenblokjes van oud-Lent. Dat wil ik zien.

Pand van Iewan, de Initiatiefgroep Ecologisch Wonen Nijmegen

Elke Vinexlocatie heeft tegenwoordig vrije kavels waar je welstandsvrij je eigen droom mag bouwen, maar toch zie je daar niet zulke huizen als aan de Karl Marxstraat en de Rosa Luxemburgstraat – de straatnamen van Plant je Vlag zijn afgestemd op de doelgroep. Hier gaat het er rommeliger aan toe, vrijer. Je vindt er grote en kleine kavels door elkaar, houtskeletbouw naast gestapelde containers en hier en daar een caravan van iemand die alvast provisorisch naast zijn huis-in-aanbouw woont. Maar het opvallendste bouwwerk is het vier verdiepingen tellende en met hout betimmerde pand van Iewan, de Initiatiefgroep Ecologisch Wonen Nijmegen.

Op het modderige bouwterrein leggen bouwvakkers de laatste hand aan het complex van 24 sociale huurwoningen. Binnen zorgen vrijwilligers voor de afbouw: ze voorzien de wanden, die geïsoleerd zijn met strobalen, van een leemlaag. Ze komen uit alle hoeken van het land – sommigen helpen mee omdat ze hier straks komen wonen, anderen behoren tot de voorhoede van het ecologisch bouwen en doen hier praktijkervaring op. En bijna allemaal zijn ze ontzet als ik zeg dat ik hier een kijkje kon nemen vanwege een reportage over Vinexland. Een blond meisje uit Arnhem, dat met leem wil leren stuken omdat dat zo decoratief is, zegt met een vies gezicht: ‘Vinex, dat zijn toch van die lelijke legoblokjes?’

‘Ik vind het zo leuk om in de Vinex te werken, dat moest ik even kwijt,’ zegt de ambtenaar van de gemeente Nijmegen die in multifunctioneel gebouw De Ster achter de bar staat en die bitterballen en bier komt brengen. Toen ik onze bestelling doorgaf, had ik haar verteld dat de man met wie ik zit te praten een kwart eeuw geleden aan de wieg heeft gestaan van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening. Hans Leeflang, want die is het, straalt van oor tot oor.

Ik heb Leeflang uitgenodigd een keer samen door de Vinex te lopen om te kijken of het inderdaad geworden is zoals hij had bedacht, maar dat blijkt, nog los van het feit dat het regent dat het giet, een stomme vraag: ‘Toen we begonnen, hadden we geen flauw idee hoe het eruit zou gaan zien, sterker nog, dat was ook helemaal geen taak van het Rijk, we zetten alleen de contouren uit. Plus de eis dat minimaal zeventig procent door de markt moest worden gebouwd.’

Leeflang vertelt hoe drie achtereenvolgende ministers hun stempel op het Vinexbeleid drukten: ‘Pieter Winsemus was de intellectuele motor. De Berlijnse Muur stond nog onwrikbaar overeind, maar hij dwong ons toen al over de grenzen te kijken, naar Azië en Rusland. Vervolgens kwam Ed Nijpels, die zei: “Ik ben niet van het grote verhaal, maar ik kan het wel verkopen.” Hij ging met de Nota de boer op, onder andere met spotjes op Postbus 51. Na de val van het kabinet Lubbers II trad Hans Alders aan, een sociaaldemocraat. Hij gooide de plannen gelukkig niet in de vuilnisbak, maar breidde ze uit met een Extra en concentreerde zich op de uitvoering. Alders onderhandelde eindeloos met de stadsgewesten. Onder tafel deed hij zijn schoenen uit, en dan maar praten, praten, praten.’

Leeflang was bij veel van die overleggen aanwezig, maar hij had met geen mogelijkheid kunnen voorzien dat die tot een nieuw-Lent zouden leiden met een ‘voorzieningenhart’ waar je een gemeentelijk biertje kunt drinken.

Op mijn laatste Nijmeegse avond fiets ik van nieuw-Oosterhout, waar ik logeer, door de polder naar oud-Lent, waar de Wijkraad haar maandelijkse openbare vergadering houdt. Het land ligt er groot en ledig bij, ik bepaal mijn koers aan de hand van de verlichte hijskranen van de ‘dijkteruglegging’ en beland via een nieuwe brug op het smalle schiereiland dat is ontstaan tussen geul en rivier. ‘Veur Lent’ moet het visitekaartje van de Waalsprong worden, maar niemand weet nog hoe dat eruit zal gaan zien. Tijd genoeg om daarover na te denken, want de bouw start pas in 2022.

Voorzitter Ton Pennings opent de vergadering en verzoekt de ongeveer twintig Lentenaren een potlood of pen omhoog te houden als saluut aan de vrije pers. Bij het voorstelrondje valt me op dat mensen uit nieuw-Lent het jaar noemen waarin ze hier zijn komen wonen, oud-ingezetenen noemen simpelweg de naam van hun straat. Maar inhoudelijk verschillen ze niet erg van mening als het gaat over verkeersmaatregelen en glasbakken, over vervuild slib en een nieuwe locatie voor de scouting, over hondenpoep en het plan van een bewoonster uit nieuw-Lent om een spelotheek te beginnen.

Er is zelfs geen onenigheid over de wens van de marktkooplui om het oude Dorpsplein in te ruilen voor nieuw-Lent, de supermarkt achterna die anderhalf jaar geleden al uit het oude dorp vertrok. Iedereen vindt dat erg voor de bejaarden, voor wie twaalfhonderd meter lopen echt te ver is, maar het is wel begrijpelijk gezien de zieltogende staat van de woensdagmarkt en vooral: wat doe je eraan? De vergadering spreekt de hoop uit dat de viskraam donderdags wel op zijn oude stek blijft. Vergeefs, naar later zal blijken, ook Wilma Graat kiest voor de parkeerplaats van de supermarkt.

Intermezzo: Ov-fiets

Dwars door nieuw-Oosterhout loopt een vrijebusbaan, stipt op tijd stopt hier de bus van Breng. Breng? ‘Dat is de naam van het openbaar vervoer in de Stadsregio Arnhem Nijmegen,’ legt de buschauffeur geduldig uit, ‘dat is handig, want dan hoeven ze de naam niet te veranderen als een nieuwe maatschappij de concessie krijgt.’ Dat hij eerst in dienst was bij Connexxion, en nu bij Hermes, daar merkt de klant niets van. Zijn uniform bleef hetzelfde, de arbeidsvoorwaarden helaas niet.

Van Nijmegen spoor ik via Utrecht Centraal naar Almere. De polderstad kondigt zich aan met rijen nieuwbouw, vrolijk gebogen straten en bouwkranen – het vertrouwde beeld van de Vinex. Ik wil al bijna uitstappen, maar wacht even, de naam van het station klopt niet, het heet Almere Poort. Deze wijk valt helemaal niet onder de Vinex, maar onder zijn opvolger, de nota Actualisering van Vinex, oftewel de Vinac. Vinacwijk, nee, dat klinkt nergens naar.

Almere heeft een hele reeks stations, er liggen er maar liefst zes op een rij en ik moet bij de laatste zijn. Ov-fietsen hebben ze daar helaas niet, dus moet ik al in Almere Stad uitstappen en met mijn rolkoffer voor op het stuur ruim zeven kilometer tegen de koude oostenwind naar mijn bestemming trappen. Dat voelt ineens helemaal niet Vinex.

Almere Buiten kaart

5 Almere Buiten-Oost

Nog altijd markeert de grote symbolische poort het begin van de Bonairepier in Almere, maar anders dan veertien jaar geleden, toen ik hier was voor een reportage over privatisering van de openbare ruimte, staat naast de poort tegenwoordig een bordje ‘Eigen weg’.

De privépier was een van de experimenten waarmee Bouwexpo Het Gewilde Wonen meer invloed wilde geven aan Vinexmensen. Helaas was het niet mogelijk de 32 toekomstige eigenaren rechtstreeks naar hun wensen te vragen, want die waren nog niet bekend. Dus gokten de gemeente en de projectontwikkelaar dat ze de pier graag in gezamenlijk eigendom zouden krijgen, de verantwoordelijkheid voor het onderhoud zou de sociale cohesie bovendien versterken.

‘Je creëert meer ruzie dan gemeenschap,’ zegt Wim Koekenbier, bewoner en voorzitter van Beheersmaatschappij Bonairepier. Het liefst zou hij de hele pier teruggeven aan de gemeente, maar ja, de meeste eigenaren willen dan geld zien, ze hebben er indertijd tenslotte voor betaald. En dus blijft Koekenbier zorgen voor het beheer en de herbestrating, want hij is een man met gemeenschapszin: ‘Als je ergens woont, dan moet je wat doen.’

Het doet hem pijn dat zijn kinderen zich nog altijd afzetten tegen Almere, maar tevreden constateert hij dat al drie van de vier na hun studie zijn teruggekeerd. ‘Ik ben Amsterdammer, maar ik draag Almere in mijn hart.’

De Eilandenbuurt, waar Koekenbier woont, bepaalt het imago van de Vinex in Almere. In 2001 lokte de Bouwexpo architectuurliefhebbers uit heel Nederland hiernaartoe en volgens een ‘multi-criteria analyse’ in opdracht van het toenmalige ministerie van VROM, is het zelfs ‘de beste Vinexwijk’ van Nederland. Maar de Eilandenbuurt is slechts een van de zeven buurten die samen Vinexwijk Almere Buiten-Oost  vormen.

Buiten-Oost is groot en heeft een heldere vorm: een spoorlijn met parallel daaraan een ruim drie kilometer lange en honderd meter brede boulevard, de Evenaar. Aan weerszijden van deze reusachtige grasstrook liggen drie wijken op een rij. De zevende en kleinste wijk, de Indische Buurt, ligt op de smalle strook tussen het spoor en de Evenaar. Anders dan de Eilandenbuurt, met haar opvallende architectuur en verkaveling, zijn de meeste buurten heel gewoontjes, soms zelfs een beetje schamel.

Almere Buiten-Oost blijft een grote onbekende in Vinexland. In nota’s en krantenberichten wordt keer op keer herhaald dat Leidsche Rijn de grootste is, in Nesselande hoorde ik er met ontzag over spreken, Leidsche Rijn, ‘de grootste Vinexwijk van het land’, maar daarmee is het nog niet waar. Zelfs na aftrek van het westelijk deel van Almere Buiten, dat al van voor de Vinex dateert, wonen hier in Buiten-Oost ruim 31 duizend mensen en dat zijn er toch echt 3.500 meer dan in Leidsche Rijn.

Verklaarbaar is de misvatting wel: dankzij een stortvloed aan kunstprojecten krijgt Utrecht veel meer aandacht in de media, maar vooral: het contrast tussen de oude universiteitsstad en de uitbreiding aan de overkant van snelweg A2 is veel groter dan tussen Almere en Almere Buiten-Oost. Rondfietsend moet ik mijn best doen om ze uit elkaar te houden.

Van alle Vinexwijken op mijn reis lijken uitbreidingswijk en moederstad hier het meest op elkaar: het percentage gezinnen met kinderen en de huizenprijzen is in Buiten-Oost maar een fractie hoger dan in Almere als geheel, het percentage mensen in de bijstand en het aantal bedrijfsvestigingen een beetje lager.

Ook het aandeel niet-westerse allochtonen ligt hier volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek zeer dicht bij Almeres gemiddelde: 30 procent in Buiten-Oost en 29 procent in de hele stad. Een witte wijk kun je het in ieder geval niet noemen – niet voor niets siert een zwart gezin het grote reclamebord voor vrije kavels. Toepasselijk dus dat ik te gast ben bij een allochtone Airbnb-verhuurder, een alleenstaande Surinaamse.

Grinnikend vertelt Ans Kist hoe haar multiculturele borduurproject de landelijke pers haalde. Ze is al jaren actief als vrijwilliger en in 2010 had ze met zo’n twintig vrouwen uit Buiten-Oost een Meiboom gemaakt met geborduurde linten in vele talen, waaronder Arabisch, en die werd toevallig in het Stadhuis gepresenteerd toen de PVV de grootste partij van de stad werd. ‘Kunt u garanderen dat het geld van de Almeerse belastingbetaler in de toekomst niet meer aan dit soort multicultureel hobbyisme wordt besteed?’ luidde de eerste schriftelijke vraag die de PVV aan het college van B en W stelde – en het relletje om een subsidie van welgeteld 1.450 euro was geboren.

Ans Kist heeft inmiddels, met steun van het stadsdeel, alweer een nieuw project opgezet, de Brei- en Hakerij. In een leegstaande lunchroom kunnen vrouwen vijf dagen per week handwerken en koffiedrinken. Een afspiegeling van Buiten-Oost vormen de zeven vrouwen van deze vrijdagochtend niet: ze zijn allemaal blank.

Er wordt naar hartelust geklaagd: over rondzwervende vuilcontainers, over geluidsoverlast, over een pand dat onderverhuurd wordt, over buitenlanders. Ondanks Ans’ kalmerende geluiden, is de toon niet direct verzoenend. Een magere vrouw vertelt over haar gehandicapte man: ‘Naast mij wonen moslims en die vrouw kwam de hele tijd met een pannetje eten voor m’n man. Ik dacht: flikker jij op, wat moet je met mijn man?’ ‘Dat is toch hartstikke aardig,’ zegt Ans. ‘Aardig? Helemaal niet. Dat doen ze alleen om een goede daad te doen voor Allah. Nou, mooi niet over mijn rug.’

Een beetje beduusd stap ik op de fiets naar mijn volgende afspraak: bij Moskee Omar Ibn Al Khattab, de grote moskee die de Marokkaanse gemeenschap bouwt aan de Evenaar.

Zo vertrouwd modern als de moskee er met zijn glazen wanden, gestileerde minaretten en bakstenen muren uitziet, zo Nederlands is ook de ontvangst door jonge, goedopgeleide poldermoslims. ‘Voor de bouw van een nieuwe moskee van een miljoen euro heb je mensen nodig die de taal goed spreken en de regels kennen,’ zegt bestuurslid Said Idbid (36). ‘Onze oudjes waren zo wijs de deur open te zetten voor de nieuwe generatie. En dat werkt in alles door: we geven nu huiswerkbegeleiding en na afloop van de preek wordt die meteen herhaald in het Nederlands.’

De rechtszaak die de bewoners van de Sieradenbuurt aanspanden tegen de bouw van de moskee uit angst voor waardevermindering van hun huizen, de hakenkruizen die op de muur werden gespoten, het campagnespotje dat Geert Wilders maakte met de ‘megamoskee’ op de achtergrond – Said weet dat het erbij hoort en gaat de discussie aan. Zoals hij ook al om tafel zat met de belastingdienst om afspraken te maken over de winst van de winkel die in de moskee komt als over een maand of acht ook de binnenkant klaar is.

Voorzanger Boujema El Azouti (32) vertelt hoe hij uit Hilversum naar Almere Buiten-Oost is gekomen. ‘Hier kon ik een starterswoning betalen en ik dacht: later ga ik terug naar het Gooi. Maar ik heb mijn plek gevonden, mijn drie kinderen groeien hier op en ik heb hier mijn vrienden en de moskee. En bovendien is het Gooi wel erg krap en bedompt.’ Said, die vanuit Huizen naar Buiten-Oost kwam, is wel weggetrokken: ‘Hypotheek is haram, verboden, daarom verkocht ik, met verlies, mijn huis. Nu huur ik in Almere Poort een huis in de vrije sector.’ Maar zijn jullie dan Almeerders? wil ik weten. ‘Nee man, dat klinkt toch niet,’ zegt Boujema. En Said, diplomatiek: ‘Ik kom uit Almere, maar ik ben het niet.’

Langs de lange Evenaar fiets ik terug en ik passeer de spectaculaire Hindoetempel met een soort gele geschutskoepel op het dak en de al even opvallende boeddhistische pagode met Chinese dakjes – beide worden in de loop van dit jaar opgeleverd. Anders dan bijvoorbeeld de protestante Kerk van Nesselande, die introk bij de Brede School, zetten de importkerken trotse eigen gebouwen neer.

De ‘reli-boulevard’ noemde CDA-wethouder Berdien Steunenberg de Evenaar, maar kerken zijn niet de enige manier waarop de gemengde bevolking van deze Vinexwijk zich manifesteert, je ziet het ook aan de ondernemers. Volgens de VVV-site zijn er in Buiten-Oost vier restaurants, in werkelijkheid kun je hier de halve wereld rond eten: Thais, Japans, Indiaas, Chinees, Surinaams, Turks.

Ik ga maar eens tellen, fiets op en neer langs de Evenaar, die bij de eerste aanblik een wat verlaten indruk maakt, en kom tot negentien restaurants. Reusachtig grote, zoals Tang Dynasty, een multiculinair Aziatisch restaurant met een eigen parkeergarage, maar ook obscure als het Irakese King Fried Chicken. Alleen jammer dat het enige café net met vakantie is.

Omdat ik toch bezig ben, tel ik verder: aan de Evenaar blijken ook nog vier supermarkten te zitten (waaronder een Surinaamse mini-markt), zeven scholen en kinderdagverblijven en zes kappers en beautysalons, met als meest opvallende African Curl, waar je haarextensies kunt laten invlechten door de goedlachse Nigeriaan Timmy. Nederland vindt hij een moeilijk land voor ‘allochtonen’, waaronder hij overigens niet de twee Surinaamse kapsters verstaat die zijn zus in dienst heeft genomen, want die zijn hier geboren en getogen en kennen de weg, dat zijn ‘nepallochtonen’.

En nog is de lijst van de Evenaar niet uitgeput: er zitten acht gezondheidscentra en tandartspraktijken, zes sportfaciliteiten (waaronder een enorme rode voetbalkooi), een station, een brandweerkazerne, een congres- annex partycentrum en negen winkels, waarvan er twee leeg staan en eentje een tamelijk vage indruk maakt: is het een mini-markt, shoarmatent of toch een shishalounge?

De Evenaar is een harde stedelijke as zonder veel allure. Ogenschijnlijk heeft Nesselande, waar de metro op hoge poten over een strook rietland voert die even lang en even breed is als de Evenaar, het beter getroffen. Maar Buiten-Oost heeft een andere kwaliteit, die misschien wel veel belangrijker is: de Evenaar biedt letterlijk en figuurlijk ruimte om te ondernemen. Hier ligt nog niet alles vast: op de grasvlakte staan vijf moderne glazen paviljoens, dat zouden er zonder problemen meer kunnen worden, en ook het aantal hoekwinkeltjes kan makkelijk worden uitgebreid.

Intermezzo: Tramtunnel

De wind is nog steeds oost, dus ik word teruggeblazen naar Almere Centrum, lever mijn fiets na precies 47 uur en drie kwartier weer in en stap op de trein naar Amsterdam. Het lijkt wel alsof tram 26 eerst een saluut brengt aan de oude Amsterdamse binnenstad door een rondje om het Open Havenfront te rijden, alvorens schielijk onder het spoor door te duiken en zijn weg te vervolgens langs de nieuwbouw aan het IJ.

Vinexwijken mogen dan aan de randen van steden liggen, de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra zorgde ook voor een forse bouwgolf in de stad. Ruim een derde van de 828 duizend woningen uit de Vinexperiode valt onder de categorie binnenstedelijk. De hoge, strenge gebouwen aan de Piet Heinkade, die de oude pakhuizen soms letterlijk overvleugelen, zijn dus ook gewoon Vinex.

Na tweeënhalve kilometer duikt de tram de Piet-Heintunnel in, komt anderhalve kilometer verder weer bovengronds en rijdt vervolgens nog drie kilometer over het Zeeburgereiland voordat hij IJburg bereikt. Valt toch wel mee, die afstand? Helaas kun je met de fiets niet door de tunnel – tenzij je tot de gelukkigen behoort die een van de twee fietsplekken in de tram weet te bemachtigen – en dan is het nog een stukje verder, in totaal negen kilometer. Voor de verwende Amsterdammers zijn dat Rotterdamse afstanden. Toch is het autobezit op IJburg laag, veel lager dan in de andere Vinexwijken op mijn reis. Hoge parkeertarieven blijken een probaat tegengif te zijn.

IJburg kaart

6 IJburg

‘Jolifanto bambla o falli bambla / großgiga m’pfa habla horem,’ zingt Renate Jörg in theater Vrijburcht, terwijl ze zichzelf begeleidt op de piano, ‘egiga goramen / higo bloiko russula huju / hollaka hollala.’

Het gedicht dat dadaïst Hugo Ball aan het einde van de Eerste Wereldoorlog schreef, blijkt nog niets van zijn opgewekte getiktheid te hebben verloren. Misschien ontroert de tekst nog wel extra nu die hier, in het door en door functionele Vinexland, opklinkt in het theaterzaaltje van een woonwerkproject – alsof de hippiejaren in een modern jasje zijn teruggekeerd.

‘Als bewoners hebben we niet alleen een aandeel in het theater,’ vertelt programmeur Maaike Riemersma, ‘maar ook in het café en het kinderdagverblijf. Aan die laatste twee hebben we trouwens zelf niet veel werk, die verpachten we. Onze Vereniging van Eigenaren vergadert maar één keer per jaar.’

Buiten hebben de vijftig bewoners van Vrijburcht ook nog een gezamenlijke steiger. Als je IJburg vanuit de stad op komt rijden, is dit de eerste plek waar je kunt zwemmen, logisch dus dat ook buitenstaanders het strandje in gebruik namen. Dat zorgde voor overlast, maar de Vrijburchters besloot geen verbodsbord op te hangen, maar een drietal spelregels en de zelfbewuste oproep: ’Wie zich als gast gedraagt is welkom.’

Het was aan het einde van mijn eerste dag op IJburg, dat het kwartje echt viel. Vanuit Amsterdam had ik IJburg altijd als Vinex beschouwd, pas nu ik vanuit Vinexland kwam, merkte ik hoe Amsterdams het er is: het chagrijn van de tramconducteur toen ik stond te klungelen om mijn fiets aan boord te krijgen, de pontificale vitrine van de Vegetarische Slager bij de biologische lunchroom, de boomlange Surinamer die zijn twee Deense doggen op de boulevard uitliet en me spontaan uitnodigde om die avond naar de roze zondag bij Café Ed te komen. En toen zag ik, terugkijkend, ineens ook veel scherper hoe Tilburgs Reeshof is, en hoe Nijmeegs de Waalsprong.

Dat een Vinexwijk lijkt op de moederstad waartoe ze behoort, daarvoor had ik al een vingerwijzing gevonden bij Herbert Gans. Het slothoofdstuk van The Levittowners opent met de conclusie: ‘Nieuwe steden zijn uiteindelijk oude gemeenschappen op nieuw land.’ Maar ook al was maar liefst driekwart van de bewoners van Levittown afkomstig uit de nabijgelegen metropoolregio Philadelphia, toch bekeek Gans gemeenschappen vooral langs de lijnen van klasse en religie en speelde de stad van herkomst bij hem nauwelijks een rol. Een praktische verklaring is dat hij slechts één stad bestudeerde en dus geen vergelijkingen tussen steden kon maken, maar misschien was hij ook wel te veel gefocust op de wisselwerking tussen suburbs en Amerika als geheel, om zich te verdiepen in de lokale kleur die ze aannamen.

Het Amsterdamse karakter van IJburg blijkt ook uit de cijfers: geen enkele Vinexwijk heeft zo’n hoge dichtheid – tachtig woningen per hectare –, nergens ook wonen meer alleenstaanden (34 procent) en allochtonen (38 procent). En Amsterdam zou Amsterdam niet zijn als de landelijke Vinex-eis van minimaal zeventig procent marktconforme bouw niet straal was genegeerd: IJburg telt maar liefst 42 procent corporatiewoningen.

Het sociaaldemocratische ideaal van menging van arm en rijk is hier met grote voortvarendheid ter hand genomen. Onder het motto ‘Wijk zonder Scheidslijnen’ werden huur en koop aanvankelijk binnen één bouwblok gemengd. Zo delen de kopers en sociale huurders – waaronder een aantal probleemgezinnen uit de gesloopte huizen in Nieuw-West – niet alleen de binnenplaats en de parkeergarage van blok 19, maar ook de voordeur en de lift, met alle conflicten van dien.

Hadden de stedenbouwers het boek van Gans niet ter hand genomen? Of hadden ze zijn waarschuwing – heterogeniteit op wijkniveau is wenselijk, maar zorg voor homogeniteit op blokniveau – gewoon genegeerd? ‘Een blunder,’ noemt Michiel Schaap van projectontwikkelaar Amvest het in ieder geval achteraf. Inmiddels zijn de scherpe kantjes er bij blok 19 af, mede omdat de ruim honderd kinderen van het complex ouder zijn geworden, en geldt voor IJburg als geheel: binnen blokken wordt niet meer gemengd – daarbuiten wel.

Onvermoeibaar criticaster van de Wijk zonder Scheidslijnen is bewoonster Xandra Lammers: in blogs, tweets, ingezonden brieven en een boek trekt ze van leer tegen de groeiende criminaliteit, de verloedering, de was die uit de ramen hangt, de schotels aan de gevels. Ze voelt zich het slachtoffer van een ‘sociaal experiment’, zei ze in een item dat Brandpunt wijdde aan 25 jaar Vinex. Veel IJburgers reageren gebeten op haar klaagzang, zo noemde Sandra Hoving haar de ‘lokale dorpsgek’, die ‘zelfs op de zonnigste dagen IJburg als de hel op aarde weet voor te stellen’.

Dat Lammers overdrijft is duidelijk, dat er problemen zijn op IJburg ook. De leefbaarometer, een geavanceerd landelijk meetsysteem, laat zien dat dit de enige Vinexwijk is waar de leefbaarheid in sommige stukken matig is – en wel op de noordoostpunt van het Steigereiland en op het Haveneiland ten noorden van het Theo van Goghpark. Mátig, dus niet negatief of zeer negatief, zoals in sommige delen van de Bijlmer of Nieuw-West.

IJburg is onderdeel van de stad en krijgt daarvan, in verdunde vorm, de problemen mee. En ook de kansen. ‘Zoals het hier is, zo zou het overal moeten zijn,’ zegt leraar Abdellah Benzidane in een portret dat Het Parool van hem maakte na de aanslagen in Parijs. Hij beschrijft het wantrouwen dat hem als Marokkaan op straat altijd ten deel valt, alleen in IJburg voelt hij zich met zijn gezin geaccepteerd: ‘In die zin is IJburg de ideale wereld.’

Dinsdagmorgen halfelf, het regent, de koude wind heeft vrij spel in de lange rechte straten. Op IJburg heersen de harde lijnen, want de wijk mocht vooral niet truttig worden, zo beslisten de mannen van de dienst Ruimtelijke Ordening die de stad in het IJmeer ontwierpen – ze vaardigden zelfs een verbod uit op schuine daken.

Ook al zijn de wetten van kleinschaligheid, gezelligheid en menselijke maat hier met voeten getreden, toch is het, zelfs op deze doordeweekse ochtend in januari, levendig op straat. In de kantoren zie je mensen zitten werken, een verwarde man loopt mompelend langs met een hondje, parkeerwachters schrijven bonnen uit, mensen doen boodschappen, een kinderklas gaat op excursie met de tram, Bagels & Beans zit vol jonge vrouwen en een enkele man met kinderwagens.

In een hoekpand op de IJburglaan – de centrale as van IJburg waar ooit de snelle ov-lijn naar Almere moet komen – zie ik moeders in een kring zitten, met in het midden spelende kinderen. Vitrage onttrekt het tafereel half aan het zicht, op de raam geen vrolijke letters van een kinderdagverblijf. Spontaan meld ik me bij de portier en die besluit mijn verhaal over een onderzoek naar Vinexmensen te geloven en laat me binnen.

Het blijkt de Kruipclub te zijn, een ontmoetingsplek voor moeders met kinderen tot 2,5 jaar. De GGD wil vrouwen hier uit hun isolement halen en hun en passant opvoedingstips geven. Ik moet denken aan de Waalspong, waar onder de naam Oudercafé ook zoiets wordt geprobeerd, maar toen ik daar met de sociaal verpleegkundige en een fysiotherapeut zat te wachten, kwamen er maar twee vrouwen opdraven, het bleken nog zussen ook. Hier is het druk, mede omdat de spelotheek – voor vijftien euro per jaar speelgoed lenen voor het hele gezin – een goede trekker blijkt.

Is het om mij te laten zien hoe thuis ze hier zijn? In ieder geval lijken Eveline, een expat die lang in Singapore heeft gewoond, en Fatima, een Marokkaanse die vroeger in de Diamantbuurt woonde, een wedstrijdje te doen wie de meeste IJburgse kinderuitjes kent: ze springen van de kinderboerderij naar de zwemles, van de flexbieb gerund door vrijwilligers naar de officiële vestiging van de bibliotheek, en van een strippenkaart voor danslessen bij de crèche naar Brazilliant Voetjebal op zaterdagmorgen.

Tijdens mijn verblijf op IJburg stuit ik tweemaal op de klassieke Ikeaposter van een Amsterdamse gracht met een rode fiets tegen de brugleuning – hij hing zowel prominent op mijn Airbnb-adres als in het kantoor van de beheerder van blok 19. Wijst dat nu op een krachtige identiteit, of juist niet?

‘IJburgers voelen zich gewoon Amsterdammers,’ zegt Michiel Steetskamp, eigenaar van café Dok 48 en bestuurslid van de ondernemersvereniging IJburg, ‘niemand ziet dit als Vinex.’ Om zijn gelijk kracht bij te zetten, vraagt hij het zijn serveerster. Die lacht: ‘Jij ben hier vanuit Amersfoort komen wonen, maar als je uit de Nieuwmarkt komt, dan is dit Vinex. Je krijgt hier gewoon meer vierkante meters voor hetzelfde geld, simpel zat.’ En Dave, de man die me uitnodigde voor roze zondag: ‘Ik woon hier al acht jaar en ben hartstikke tevreden, maar Amsterdam is het natuurlijk niet, het is gewoon Almere-West-West.’

Intermezzo: Achterdeur

Ik verlaat IJburg via de nieuwe achterdeur, de witte boogbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Toen die brug vorig jaar eindelijk werd geopend, reageerden de IJburgers dubbelhartig: een rechtstreekse aansluiting op de A1 was natuurlijk top, maar ze waren boos dat ze daarmee de sluiproute naar de Maxis kwijtraakten, de grote weidewinkel aan de A1 waar ze, tot frustratie van de IJburgse middenstand, massaal boodschappen deden.

‘Naar de Maxis om 800 wc-rollen te kopen, IJburg heeft het,’ jubelde bewoonster en ‘zelfbenoemde hysterische ambassadeur’ Candy Dulfer ooit. Nu kun je alleen met de bus nog zonder omrijden naar de Maxis – overstappen in de oksel van de snelweg op de eenzame bushalte Diemerknoop – maar ja, hoe krijg je al die wc-rollen dan mee terug?

De aanblik van de uniforme, betonnen Bijlmerflats is confronterend, maar als de bus de verlaagde Bijlmerdreef opdraait, zie ik bakstenen bouwblokken van vijf verdiepingen die in een Vinexwijk niet zouden misstaan. En Station Amsterdam Bijlmer ArenA – dat vroeger gewoon Amsterdam Bijlmer heette – is van zo’n moderne lichtheid dat IJburg er jaloers op kan zijn.

Het eerste station na Utrecht Centraal is Utrecht Leidsche Rijn, waar een woud van kranen bewijst dat de bouw van het centrum van de wijk eindelijk is begonnen. Voorlopig stopt de trein hier nog slechts tweemaal per uur en dus maak ik net als de meeste bewoners gebruik van het volgende station, Utrecht Terwijde, waar je elk kwartier naartoe kunt en waar sinds eind vorig jaar eindelijk een echt winkelcentrum staat. De witte doos die ruim tien jaar lang als noodonderkomen van Albert Heijn diende, is rijp voor de sloop.

Leidsche Rijn kaart

7 Leidsche Rijn

‘Erg hè, ik zie nu pas dat ik deze straat ken, hier woont een van onze honden,’ zegt Lonneke van De Happy Roedel, als ze me ophaalt op mijn logeeradres. Hoewel het hemelsbreed maar vijfhonderd meter bij haar vandaan is en je er op de fiets in drie minuten bent, is het een heksentoer om hier met de auto te komen. Zeker als je, zoals zij, niet op straatnamen en plattegronden let, maar alleen op herkenningspunten.

Elke ochtend doorkruisen Lonneke en haar collega’s Leidsche Rijn en het aanpalende Vleuten-De Meern om honden op te halen. Bij de meeste adressen laat ze zichzelf binnen, maar soms is het baasje thuis, zoals bij de zzp’er die haar hond eens per twee weken een lekker dagje socializen gunt. ‘Voor veel mensen maakt een hond het gezin compleet,’ zegt Lonneke, ‘sommigen bellen al voordat de pup is geboren of wij plaats hebben.’

Linda, eigenaresse van De Happy Roedel

Wie verwacht dat hondenbezitters onderling makkelijk met elkaar in contact komen, wordt door Linda, de eigenaresse van De Happy Roedel, snel uit de droom geholpen: ‘Het heet dan wel Ter-wij-de, maar je zou het beter Ter-ikke kunnen noemen, iedereen is alleen maar met zichzelf bezig. Er heerst hier veel eenzaamheid.’

Linda begon met een uitlaatservice, maar De Happy Roedel groeide uit tot een dagopvang à raison van 21,50 per dag. Het bleek moeilijk een eigen terrein te vinden, want hondenopvang valt onder milieucategorie drie, net als bijvoorbeeld smederijen, wasserijen en autosloperijen. Na lang touwtrekken kan ze nu tijdelijk het terrein pachten naast het informatiecentrum van Leidsche Rijn – dat net als de Waalsprong beschikt over een reusachtige maquette van de wijk.

‘De gemeente houdt totaal geen rekening met honden,’ zegt Linda, ‘de wijk zou vijfhonderd honden tellen, maar als ik het CBS-gemiddelde aanhoud, zijn het er al driemaal zoveel. En een Vinexwijk, met jonge gezinnen, zit boven het gemiddelde, daar is het vaak huisje-boompje-hondje.’

Honden mogen dan geen prioriteit hebben in Leidsche Rijn, kunst heeft dat wel. Met het programma Beyond Leidsche Rijn zette de gemeente vanaf het begin hoog in. Ze huurde Stichting Kunst in de Openbare Ruimte in om scherp te stellen ‘op de ambities van de metropolitane ontwikkeling’. Er kwam zeven miljoen euro beschikbaar voor een tien jaar durend programma dat autonoom, experimenteel en internationaal toonaangevend moest zijn. Maar om nu te zeggen dat het aansloeg bij de bewoners, dat zou een tikje overdreven zijn.

Tekenend is misschien wel het project Land van het Deense collectief N55: een ‘vrijstaat’ die bestond uit een heuvel waarop bewoners geacht werden groenten te gaan verbouwen. De wethouder nam in 2003 een krop sla in ontvangst en daarmee hield het zo’n beetje op. Na drie jaar ging de stekker eruit en werd de heuvel afgegraven, maar hij prijkt nog wel op de site van de kunstenaars, als een van de zeventien wereldwijde Land-locaties.

Dan hebben de bottom-up initiatieven van de 33-jarige kunstenares Asia Komarova – ‘ik ben een product van de Sovjetunie’ – veel diepere wortels. ‘Ik ben altijd Vinexburger geweest, als kind ben ik opgegroeid in de openbare ruimte tussen de flats. En openbare ruimte is precies wat in Leidsche Rijn ontbreekt, alles is hier wonen of winkel.’ Sinds drie jaar huurt ze met architecte Txell Blanco, ook een voormalig kraakster, een atelierwoning in het woonwerkcomplex vlak bij station Terwijde.

Van de gemeente kregen beide dames een stuk grond van 3.500 vierkante meter in bruikleen en inmiddels wroeten daar vijftig bewoners in de aarde. Elk jaar organiseren Komarova en Blanco bovendien een burenmarkt, waar bewoners hun eigen producten en diensten aanbieden, variërend van de reparatie van iPhones tot zelfgemaakte kaarten van het Seniorennest.

De eerste markt hielden ze in de binnenstraat van hun ateliercomplex, die door de architect expliciet is ontworpen als semi-openbare ruimte. Maar daar maakten ze geen vrienden mee. Asia: ‘Het is moeilijk voor kunstenaars om in termen van samenleving te denken.’ Latere versies van de burenmarkt vonden plaats aan de rand van de wijk, in de Vrijstaat, een erfenis van het inmiddels opgeheven Beyond Leidsche Rijn.

Op het terrein waar nu nog de witte ‘nooddoos’ van Albert Heijn staat, willen Komarova en Blanco een permanente, openbare markthal bouwen, in de vorm van een plein dat aan alle zijden is omgeven door de betonnen skeletten van rijtjeshuizen. Een vage droom? Via crowdfunding kregen ze 121 mensen zo ver om de zesduizend euro te doneren die nodig zijn voor de eerste twee compartimenten.

ASR Vastgoed, dat het onlangs geopende winkelcentrum Terwijde neerzette, was er als de kippen bij om te protesteren tegen oneigenlijke concurrentie. Komarova: ‘Wij hebben geprobeerd ze uit te leggen dat het ons niet gaat om kapitaliseren. Als mens zeggen ze ons project te snappen, maar niet als projectontwikkelaar.‘

Leidsche Rijn is, net als de Waalsprong, een voormalig tuinbouwgebied en omdat het kostbaar en ingewikkeld is om ‘glas uit te kopen’, heeft ook deze Vinexwijk grote vertraging opgelopen – je treft nog overal lege vlaktes aan, en hier en daar groepjes bouwkranen.

Voor de buitenstaander is het lastig grip te krijgen op de potpourri van rijtjeshuizen, slootjes, parken, treinstations, villa’s, oude kassen, een ziekenhuis, rijen knotwilgen, woonwagens en nog zo het een en ander. Het is meer een Vinexlandschap dan een Vinexwijk, gelukkig kun je je oriënteren met behulp van de verspreide hoge appartemententorens en de schoorsteen van de elektriciteitscentrale aan de A2.

De verbrokkeling is niet alleen te wijten aan de crisis, maar is inherent aan het stedenbouwkundig plan dat Riek Bakker maakte. Ze nam twee grote beslissingen: de A2 overkappen, zodat er aan de oostkant een vloeiende overgang ontstond naar Utrecht, en aan de westzijde een groot park aanleggen om een groene buffer te creëren voor Vleuten-De Meern, twee bestaande dorpen die niet opgeslokt wilden worden door de grote stad. Verder legde ze weinig vast: de 85 stedenbouwkundige ‘scherven’ waarin het gebied werd opgedeeld, zouden elk hun eigen functie, dichtheid en structuur krijgen. Een krachtige identiteit voor Leidsche Rijn als geheel ontbreekt.

De schervenstructuur maakt Leidsche Rijn bij uitstek onderdeel van een moderne stad, of beter, van een modern stedelijk weefsel. Rotterdam mag dan vaak worden beschouwd als dé moderne stad van Nederland, maar dan gaat het wel over een nogal ouderwetse vorm van moderniteit, met een hoogbouwcentrum, buitenwijken, industriegebieden en een flinke dot infrastructuur. In werkelijkheid is de moderne stad een netwerkstad, een lappendeken waaruit mensen hun eigen patronen samenstellen: hier werken, daar wonen, verderop recreëren – met de auto als garen om de lappen aan elkaar te stikken. Niet toevallig tellen huishoudens in Leidsche Rijn, ondanks de voorbeeldige fietsinfrastructuur, anderhalf maal zoveel auto’s als die in Reeshof, de nummer twee op de lijst, en liefst 2,5 maal zoveel als die op IJburg.

‘Waar wil je later wonen?’ vraag ik Chaima, een veertienjarige Marokkaanse die zich spontaan heeft opgeworpen als rondleidster op haar school, het Via Nova College, een goeddeels zwarte VMBO-school die populair is bij topsporters. ‘In Amsterdam-Slotervaart, daar is het tenminste gezellig, hier kijkt iedereen je raar aan als je een hoofddoekje op hebt, of een petje.’ Om er meteen aan toe te voegen: ‘Nou doen Marokkaanse jongens ook best raar, mijn broers ook, maar als je naar iemand wijst, dan wijzen er altijd drie vingers naar jezelf.’ Als ik lachend zeg dat ik die uitdrukking niet ken, roept ze uit: ‘O, my God, ik ben nog meer verkaasd dan u.’

Ik doe haar opgewonden betoog een beetje schouderophalend af, maar later vertelt Nadia me, de keurig gehoofddoekte economielerares, dat ze onlangs van Leidsche Rijn naar Overvecht is verhuisd, de jarenvijftigwijk in Utrecht-Noord: ‘Ik zie meer gezinnen terugkeren naar de stad. Hier zijn geen halalwinkels, er is zelfs geen moskee. En het is gewoon fijn om je buurvrouw daar te treffen.’ Aan een moskee wordt inmiddels gewerkt, maar dat wil nog niet erg vlotten: bij het slaan van de eerste paal donderde afgelopen november de heimachine om.

Met een kwart allochtonen is Leidsche Rijn de enige Vinexwijk waar hun aandeel in de bevolking beduidend boven het gemiddelde van de moederstad ligt. En uitgerekend hier wordt hun aanwezigheid op geen enkele manier weerspiegeld in de voorzieningen van de wijk. Is dat een van de bijeffecten van de netwerkstad, waar identificatie met de eigen wijk achterhaald is en iedereen zijn eigen wereld samenstelt, over de grenzen van de wijk heen? Kunstenaar Melle Smets, die als een van de laatsten een opdracht kreeg van Beyond Leidsche Rijn, vergeleek de wijk zelfs met een hotel, waar mensen alleen komen om ‘te slapen en bij te komen van hun activiteiten elders in het land’.

Op mijn laatste avond ontdek ik in Leidsche Rijn toch nog een restaurant dat flink wat allochtonen trekt. Het heet Vandaag, telt 680 zitplaatsen en is onderdeel van The Foodspot op het bedrijventerrein onder aan de afslag van de A2. Hier eet en drink je twee uur lang voor €29,95, leg je er vijf euro bij, dan mag je nog een uur verder eten. Een halalkeuken voeren ze niet, maar er is zoveel keuze dat ook de allochtone middenklasse uit de hele regio zich hier thuis voelt. Ook dat is de netwerkstad.

Intermezzo: Skatebus

In de trein naar Amersfoort vraag ik me af hoe maatgevend mijn ervaringen in Leidsche Rijn zijn geweest. Op de kaartjes van de leefbaarometer scoort de wijk over de hele linie minimaal ‘matig positief’ en meestal hoger. Het moet dus toeval zijn dat ik hier bij een man logeerde die eerst een pension met zestien Griekse gastarbeiders naast zich kreeg, en die, toen dat op last van de rechter eenmaal was ontruimd, een bordeel. Inmiddels is de rust in zijn straat weergekeerd.

Vanaf Station Amersfoort rijdt er elk kwartier een trein naar Amersfoort Vathorst, maar de bus is veel praktischer, die rijdt elke vier minuten. Soms zit er een groep skaters in zijn bus, vertelt de chauffeur, want bij de dertiende rotonde van Vathorst ligt het grootste skatepark van Europa.

Hier slaap ik niet in een rijtjeshuis zoals in Leidsche Rijn of in een appartement zoals op IJburg, maar in een vrijstaande villa die bekleed is met hout, type Smele. ‘Eigenlijk bizar dat huizen worden aangeprezen met een naam,’ zal mijn gastvrouw ’s avonds zeggen, ’ik deed dat vroeger zelf ook, toen ik voor een reclamebureau werkte dat in de Vinex actief was.’ Van haar hand is bijvoorbeeld de slogan ‘Dromen van Nesselande’ en een glossy over de Haagse Vinexwijk Ypenburg. ‘Daarin kwam onder andere een fictieve gescheiden groenteboer aan het woord, met een foto van mijn man erbij.’ In die tijd woonden ze nog in het centrum van Amersfoort, en nee, dat ze ooit zelf in een Vinexwijk zouden komen wonen, dat hadden ze nooit gedacht.

Vathorst (kaart)

8 Vathorst

Niet alleen Almere bezocht ik al toen de Vinex net gebouwd werd, ook in Vathorst was ik een keer tijdens de aanleg van de wijk. Tien jaar terug schreef ik een serie over sloop en daarvoor zocht ik ook een boer die plaats moest maken voor een Vinexlocatie. Zo kwam ik bij Gerard Kleinveld terecht.

‘Ik huil er niks om,’ zei hij destijds nuchter, terwijl een grijper zijn boerderij omvertrok, ‘voor boeren zijn het gouden jaren om ermee te stoppen, zelfs mijn stank heb ik kunnen verkopen. En geld maakt niet ongelukkig.’ Zijn land, een perceel van maar liefst twee kilometer lang en slechts een meter of vijftig meter breed, had hij negen jaar daarvóór al verkocht. Daar stonden toen al huizen op, de bewoners mochten van de vrouw van Gerard de struiken en bomen uit hun tuin komen halen. ‘Ik gaf ze er nog een oude kruiwagen bij, we hadden er zeven,’ zei ze monter.

Op Google Maps blijkt het oude adres – Veenweg 15, Hooglanderveen – nog terug te vinden: het ligt nu midden op een ovaal winkelplein, precies op de plek waar kaasboer Gerdo Donkersteeg elke vrijdag met zijn wagen staat. ‘Een stuk voor Mariëlle en één voor mij,’ bestelt een jonge man. Zonder verder iets te vragen pakt Gerdo oude en extra belegen kaas en snijdt van beide een kilo af. ‘Bij tachtig procent weet ik het gezicht bij het stuk kaas,’ grapt hij, ‘dat marktgevoel stellen mensen op prijs.’ Zoals de tweeverdieners het ook waarderen dat hij er tot half acht ’s avonds staat.

Ik besluit de oude boer op te zoeken, maar bij de grote boerderette die hij liet bouwen staat een bord ‘Te koop’ in de tuin. ‘Gerard heeft een infarct gehad,’ vertelt zijn buurman, ‘zijn vrouw is drie jaar geleden al overleden en nu woont hij in het verzorgingshuis naast de kerk. Maar het heeft geen zin hem op te zoeken, hij kan niet meer praten.’

Vathorst ligt in de oksel van twee snelwegen, de A1 en de A28. De Vinexwijk slokte het oude dorp Hooglanderveen op. Dat klinkt altijd dramatisch: een rustiek, oud dorp – denk: Asterix en Obelix – dat door nieuwbouw wordt gewurgd. Maar schijn bedriegt.

Op zich is de kern van Hooglanderveen best aardig – een paar oude straten, een katholieke kerk van bijna een eeuw geleden, een handvol boerderijen – maar het grootste deel van het dorp bestaat uit saaie rijtjeshuizen uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Gescheiden door een groenstrook liggen daaromheen de Vinexbuurten, en het moet gezegd: in vergelijking met de oude nieuwbouw zijn die een aanwinst. De huizen zijn groter en gevarieerder, de verkaveling is spannender.

De nieuwe bewoners zorgden niet alleen voor de komst van een winkelcentrum, maar ze gaven, anders dan in de Waalsprong, ook een nieuwe impuls aan de bedrijvigheid in de dorpskern. Zo kreeg Het Houteveen, de oude boerderij tegenover de kerk die enkel nog dienst deed als zaal voor feesten en partijen, drie jaar geleden zijn functie als dorpscafé terug.

Aanpassen of wegkwijnen, dat was ook de vraag waarvoor de lokale voetbalclub zich gesteld zag. In het nieuwe clubhuis, met uitzicht op de reusachtige vestiging van Ikea, blikt bestuurslid Norbert van Hengstum (51) terug: ‘De gemeente benaderde ons of we de toeloop uit de Vinex op wilden vangen. Nogal wat oude leden zagen dat niet zitten, het was toch gezellig zoals het was. Maar eerlijk gezegd zaten we nogal klem: bij de jeugd vielen al gaten, zo hadden we bijvoorbeeld geen D’tjes meer. En als de gemeente een club naast ons zou zetten, dan waren we zeker verloren.’ VV Hooglanderveen groeide van twee naar zes velden, het aantal leden verviervoudigde. En dan staan er nog 150 kinderen op de wachtlijst.

Zorgen zijn er ook. Mensen uit de nieuwbouw zover krijgen dat ze de teams van hun kinderen coachen en trainen lukt wel – al was het maar omdat ze anders gewoon niet mogen spelen –, veel lastiger is het mensen te vinden die zich vrijwillig inzetten voor de club als geheel. ‘Nog steeds bestaat zeventig procent van het kader uit Veners,’ schat bestuurslid Caspar Tondeur (28). Zelf is hij een echte Vener, ook al vertoefde hij voor studie en werk acht jaar in Zweden en Amsterdam en woont hij nu in het centrum van Amersfoort. ‘Het is moeilijk om gekken te vinden die zich inzetten, in de Vinex wonen nu eenmaal veel passanten.’

Het is de vraag of het beeld klopt dat Tondeur schetst, de Amerikaanse socioloog Herbert Gans vond namelijk juist het omgekeerde verband. Passanten, die zo’n twintig procent van de bevolking van Levittown vormden, bleken actiever als vrijwilliger dan degenen die zich definitief vestigden. Gans verklaart dat uit het gegeven dat de transients hoger opgeleid en sociaal vaardiger zijn dan de settlers. Op een vreemde manier geldt dat overigens ook voor Tondeur zelf.

Van Hengstum, wiens boerderij voor de aanleg van Vathorst moest wijken en die al jaren in Nijkerk woont, wijt het vrijwilligersprobleem niet zozeer aan de Vinex als wel aan de tijdgeest en de vergrijzing. Maar beide bestuursleden zijn het erover eens dat ze niet, zoals veel clubs in de omgeving, een vrijwilligerscontributie moeten invoeren, waarmee leden hun corvee kunnen afkopen. Tondeur, streng: ‘Dat zou een buiging voor consumentengedrag zijn.’ Van Hengstum, voorzichtiger: ‘Het is onze trots om dat uit te stellen.’

Zijn mijn zintuigen na tweeënhalve week Vinex aangescherpt en ben ik gevoeliger geworden voor stoorzenders? Tot mijn verbazing erger ik me tijdens mijn fietstocht door het zonnige Vathorst aan de herrie die de gemeentelijk veegwagens maken en springt de talentloze graffiti op een meterkast me in het oog. Het zijn minieme smetten op een opgeruimde wereld.

Vathorst is, net als de Stad van de Zon waar mijn reis begon, gebouwd naar een ontwerp van stedenbouwkundige Ashok Bhalotra. Het is een wijk met vooral laagbouw, omgord door een rondweg met zestien rotondes die keurig zijn genummerd – met uitzondering van rotonde acht, die is getooid met het beeldje van een slak. Maar het is niet alles Bhalotra wat hier blinkt: aan de noordkant heeft stedenbouwkundige Adriaan Geuze, een notoir tegenstander van suburbane gezelligheid, een buurt tegen de rondweg geplakt. De Laak is een heel stenige buurt met kades, grachtenpanden en vier hoge woontorens.

Helemaal achter in deze grachtenstad stuit ik op een buurtwinkel die sigaretten, loten, snoep en brood verkoopt. Verderop in de straat blijken ook nog een apotheek, een schoonheidssalon, een brasserie en maar liefst twee kappers te zitten. Wacht even, dorpse bedrijvigheid in een Vinexwijk?

Terwijl ik op m’n uitsmijter wacht, legt de serveerster uit dat de brasserie onderdeel is van het Sint Pieters en Bloklands Gasthuis, een instelling die appartementen met thuiszorg op maat verhuurt, maar ook een verpleegafdeling beheert. De huisartsen van de praktijk om de hoek lunchen hier vaak, vertelt ze, maar ook buurtbewoners en bezoekers. Het loopt goed, sinds kort zijn ze ook twee avonden in de week open. Verwacht hier geen gin-tonic op de kaart, maar Baileys, Tia Maria en Jägermeister schenken ze met plezier.

De menging van groepen en functies vind je niet alleen in en rond het Gasthuis, maar ook bij het Kinderbelevingscentrum dat tussen de skatebaan en de voetbalvelden ligt. Naast kinderopvang herbergt het onder andere een kookstudio, muziekruimte en dansstudio. De zaal is te huur voor kinderfeestjes, maar moeders vieren hier ook hun veertigste verjaardag. Er komen zelfs skaters over de vloer, vertelt de dame die koffie met zelfgebakken appeltaart serveert: ‘Ze kunnen hier plassen, en als het nodig is, dan plakken we ook een pleister.’

Dat Vinexwijken lijken op de moederstad waaraan ze zijn ontsproten, gaat ook op voor Vathorst. Amersfoort is een burgerlijke stad, in de goede zin van het woord. Goedkoop is het er niet – de huizenprijzen liggen net onder die van de duurste Vinexwijk, IJburg – maar dan woon je ook midden in het land. Het leven is hier praktisch, vriendelijk en groen. Als er ooit een verkiezing zou komen voor de hoofdstad van Algemeen Beschaafd Vinexland, dan gooit Vathorst hoge ogen.

‘Wie zegt dat, dat Vinexmensen gelukkig zijn, daar klopt helemaal niks van, ik dacht dat ik gek werd toen ik hier kwam wonen.’ Laat ik haar Jolanda noemen, de grote blonde dame die ik op mijn laatste Vinexavond tref aan de bar van café De Houtekeet. Ze heeft hier met haar man, een verwoed karpervisser, en twee kinderen een huis gekocht omdat ze na alle verhuizingen ‘eindelijk een plek wilde om een schilderij aan de muur te hangen’.

Wat haar zo rauw op haar dak viel, waren ‘al die mensen van dezelfde leeftijd, die allemaal in dezelfde fase zitten’. Maar met net zoveel verve verkondigt ze vervolgens hoe ‘supergezellig’ het op haar pleintje toegaat: ‘Mijn dochtertje kon ineens fietsen, dat heeft ze geleerd zonder dat ik het door had.’

Als ze me in geuren en kleuren het ideale schilderij voor haar muur begint te beschrijven – ooit zag ze het bij de oom van een vriendin, maar ze weet niet of het nog bestaat –, trekt een van de buurvouwen, die vanaf een tafeltje een oogje in het zeil houdt, haar aan haar arm: ‘Kom, Jo, genoeg gedronken, we gaan naar huis.’

Epiloog: Lijn 13

In lijn 13, die me vanaf Amsterdam Centraal naar huis brengt, merk ik dat ik de oude stad met andere ogen bekijk: de huizen vlak op elkaar, de volle straten, de drukte. Het lijkt wel of er een grauwsluier hangt over de mensen en de dingen.

Het contrast met de frisheid van de Vinexwijken is groot – de krachtige vormen en kleuren, het vele water met riet, de voorkeur voor baksteen en beukenhagen. Architectonische haute couture is de Vinex niet, maar over de hele linie scoort ze minstens een ruime voldoende, met uitschieters naar boven. Echt Hema eigenlijk, goed ontworpen en het kan tegen een stootje.

Ik denk ook terug aan de, vaak belangeloze, inzet waarmee bewoners vanaf de grond iets opbouwen voor zichzelf en hun buren: kerken, buurtbarbecues, actiecomités, moestuinen, oudercafés, moskeeën, opvangplekken voor honden, ruilmarkten, theaters, wijkraden, walking dinners, scoutinggroepen, ecologische woongroepen, voetbalclubs, zelfs een brei- en hakerij.

Het is bizar hoe weinig we na 25 jaar nog steeds weten van het collectieve leven in de Vinex. Waarom hebben de allochtone bewoners van Almere Buiten bijvoorbeeld zoveel meer invloed op hun wijk dan die in Leidsche Rijn? Wat gebeurt er als de eerste generatie vrijwilligers – die voor een deel ook nog buiten de Vinex woont – dadelijk afhaakt omdat ze te oud worden? Hoe belangrijk zijn informele vrouwennetwerken voor de sociale samenhang? En de kappers, waarvan de Vinex vergeven is? Zulke vragen spelen niet alleen een rol bij de volwassenwording van de ‘reëel bestaande’ Vinexwijken, maar ook bij de opzet en het ontwerp van de nog te bouwen delen.

Tot in 2015 heette het boekje met de ‘min of meer vrije vertaling van de Vierde Nota’ dat Ed Nijpels eind jaren tachtig van de vorige eeuw liet maken. Dat jaartal was toen nog zo ver weg dat alle plannen tegen die tijd gemakkelijk klaar zouden zijn. Maar nu is het 2015 en blijken de Vinexwijken, mede door de economische crisis, nog lang niet af. De Waalsprong is pas voor een derde klaar, IJburg en Leidsche Rijn zitten grofweg op de helft en zelfs de Stad van de Zon heeft nog eenvijfde te gaan.

Toen ik op IJburg logeerde, overhandigde het Architectuurcentrum Amsterdam de wethouder 151 plannen en drie scenario’s voor de zandvlakte die ooit het Centrumeiland moet worden. Ik reisde ervoor op en neer naar de binnenstad, want vreemd genoeg vonden de feestelijkheden niet op IJburg zelf plaats. Zoals te verwachten werd ook hier de loftrompet gestoken over zelfbouw en bottom-up initiatieven, maar hoe reëel is het om te verwachten dat je de Vinex op die manier met vele tienduizenden woningen kunt uitbreiden? En zorgt zo’n aanpak voor meer sociale samenhang of juist voor meer ‘Ter-ikkes’?

Leest u liever op uw gemak de e-boek versie van dit verhaal? Download het e-boek Groeten uit Vinexland van Tijs van den Boomen hier

Vinex is overal

Over de auteur

foto: Hajni Zsolcai

Journalist Tijs van den Boomen is gespecialiseerd in de openbare ruimte, het domein dat zich uitstrekt van snelwegen tot steden en van natuurgebieden tot shopping malls. Het gaat hem om alledaagse plekken waar je zonder toestemming van voorlichters of beveiligingsbeambten terechtkunt, om de plekken waar je burgerschap voldoet als entreebewijs. Naast zijn werk voor onder andere NRC Handelsblad, De Groene Amsterdammer en Het Parool, schrijft hij boeken en is hij initiatiefnemer van het Rotondologisch Genootschap dat ‘manmoedig in de spiegel kijkt die rotondes ons voorhouden’. 

Colofon & dankwoord

De reis naar Vinexland, waarvan deze longread verslag doet, vormt de aftrap van De Vinexmensen, een project van het International New Town Institute in het kader van het Jaar van de Ruimte.

Tekst en foto’s: Tijs van den Boomen

Initiatief: JaapJan Berg (INTI)

Technische realisatie: Fosfor

Vormgeving omslag en ansichtkaarten: Peter Jonker

Uitgeverij Fosfor, Amsterdam

Met dank aan: Ans Kist, Anthea Koopman, Arnold Reijndorp, Asia Komarova, Bertine Blom, Boujema El Azouti, Bram Couvreur, Caspar Tondeur, Chaima, Coby van de Molegraaf, Cynthia Appel, Eddy Keur, Eliza Duson, Han ter Heegde, Hans Leeflang, Harold Baidjoe, Iewan, Jac van Daal, Jan van der Starre, Jasper Kroon, Joke van Ruitenbeek, Joy Bulters, Gerdo Donkersteeg, Klaas Wever, Linda ten Wolde, Lonneke Brooijmans-Van Empel, Luisa Calabrese, Maaike Riemersma, Marco Burm, Marien Kollenstaart, Marije Larik, Martine van Harten, Michiel Steetskamp, Milka Matic, Minke Kurvers-Smulders, Monique Zuuring, Nadia, Norbert van Hengstum, Paul Mols, Pauline de Bok, Renka Vermaas, Rick Arends, Rob en Astrid van der Hoek, Robbie Mooij, Ron Davids, Said Idbid, Sandra de Weijer, Saskia Naafs, Ton Pennings, Tony Richard, Toon Voskens, Trudy de Mooy, Txell Blanco, Walid Elders, Wes Priem, Wilma Leijten, Wim de Boom, Wim Koekenbier