Built with Creatavist
Deel

Vrolijke, zwarte maandag

Het verhaal van de beschieting op de Dam

Vrolijke, zwarte maandag
Het verhaal van de beschieting op de Dam
 

Vrolijke, zwarte maandag

Het verhaal van de beschieting op de Dam in mei 1945

De Dam, 7 mei 1945. Credit: Eye Film Instituut & Instituut voor Beeld en Geluid.

Volgens de mythe begon de Duitser op 7 mei 1945 zomaar te schieten op de feestvierende menigte op de Dam. Maar was dat wel zo? Het nog niet eerder vertelde verhaal van Drie Dwaze Dagen in de schemering tussen oorlog en vrede.

door Auke Kok

Wie op het balkon staat, voelt zich kwetsbaar. De mensen op de Dam, ontspannen kuierend in de voorjaarszon, lijken veel dichterbij dan je denkt als je beneden staat en naar boven kijkt. Het is alsof je eenvoudig op hun schouders zou kunnen stappen terwijl het volk rechts de Kalverstraat, of links de Paleisstraat inloopt. En het is dus ook alsof zij zomaar op jouw balkon kunnen springen, op dit verrassend kleine balkon van één bij drie meter achter een dij-­hoge balustrade, die niet van massief smeedijzer blijkt te zijn maar van zink. De randen en het gevlochten bloemwerk zijn hol. Het lijkt heel wat, zo’n balustrade op de eerste etage van een statig hoekpand bij het Paleis op de Dam, maar het stelt niets voor. Je kukelt er zo vanaf. En dan de geluiden. Alles komt hard je balkonnetje op, alsof het versterkt is. Je krijgt de neiging om de mensen hier beneden – allemaal zo raar dichtbij – af te luisteren.
Misschien is dat wat die man voelde, toen hij zijn misdaad beging. De man met de mitrailleur. Hij zag geen groepjes ontspannen shoppers en toeristen, zoals ik nu; hij zag op die Zwarte Maandag in mei 1945 een indrukwekkende mensenmassa, joelend, zingend, krijsend; duizenden Hollanders die dolblij waren dat alle gehate militairen zouden oprotten naar dat vervloekte Duitsland van ze. Op enkele meters van het hoekpand stonden Spaanse ruiters, een houten versperring met uitstekende punten en prikkeldraad. De Groote Club, de deftige herensociëteit, was een Stützpunkt voor de Wehrmacht, een soort vesting zoals Amsterdam er vele telde. De superieuren van de man met de mitrailleur hadden het vier etages hoge pand in 1942 gevorderd en nu zouden de bewoners, honderdvijftig à driehonderd leden van de Kriegsmarine, zich hier veilig moeten voelen. Wat ze niet deden. Er gebeurde van alles in de nabijheid van De Groote Club om het benauwd van te krijgen.

De ramp van 7 mei op de Dam in Amsterdam in 1945, credit: Frédérik Ruys, Vizualism.

Toen schoot hij. Tenminste, daar lijkt het sterk op. Er moet iets aan vooraf zijn gegaan. Wat de mythe wil ­‐ namelijk dat de deuren plotseling openzwaaiden en dat een al dan niet dronken Duitse militair woedend op de feestvierende menigte schoot ­‐ lijkt te filmisch om waar te zijn. Het beeld kwam in de naoorlogse moraal goed van pas om aan te geven hoe slecht de Duitsers waren en hoe onschuldig de Nederlanders. Een bloedbad als laatste gruwel. De laatste zonde van een crimineel regime. In tal van publicaties kom je het tegen, begeleid door hartverscheurende foto’s van slierten mensen achter een lantaarnpaal. Zelfs in het vorig jaar verschenen Leven met de vijand, Amsterdam onder Duitse bezetting 1940‐1945, schrijft de Duitse historica Barbara Beuys: ‘Als uit het niets klinkt er rond drie uur geweervuur op de Dam. Onder het volk breekt paniek uit.’
Zou kunnen. Maar militairen schieten niet zomaar op weerloze burgers, zelfs niet als het Duitsers zijn die na jarenlange medewerking aan grootscheepse politieke misdaad weten dat alles vorbei is. Wat was hier aan de hand?

Mensen zoeken dekking achter ’t Snotneusje, op de achtergrond rennen mensen in paniek naar het Damrak. Credit: Wil F. Leijns/Nederlands Fotomuseum.

Om drie uur in de middag klinkt inderdaad het dodelijke salvo. Schijnbaar ‘uit het niets’ vallen er dan twintig doden en honderd gewonden, op een dag die alles in zich had om schitterend te worden. Na een reeks van frisse, zelfs koude meidagen was het kwik naar de vijftien graden gestegen en zo had het geleken alsof zelfs de Heer – toen nog alom aanbeden – meehielp om het feestelijk onthaal van de bevrijders op 7 mei in een heerlijk en welverdiend zonnetje te zetten. Er werd gedanst.

Eén vonkje en de
uitgemergelde
binnenstad, waar
niemand de baas leek
te zijn, waar elk
moment alles
mogelijk leek te zijn,
zou in lichterlaaie staan.

Leon Perlee, kleinzoon van orgelbouwer Gijs Perlee, had draaiorgel Het Snotneusje met zijn weelderige versierselen van de Westerstraat in de Jordaan naar de Dam gesleept, want op hoogtijdagen moest je op de Dam zijn, dat wist iedere Amsterdammer. Bovendien had de voormalige verzetskrant Het Parool de vorige dag, zondag, papiertjes op de winkelruiten laten plakken: ‘Morgen komen zij!’ Het werd tijd ook – drie dagen eerder, op vrijdagavond 4 mei, maakte de BBC de capitulatie van het Duitse leger al bekend en dat geweldige nieuws was de zaterdag erna verspreid door Radio Oranje en de verzetskranten. Vandaag moet het gebeuren.

't Snotneusje

Het Snotneusje was schuin voor De Bijenkorf komen te staan, bij het Damplantsoen (waar nu het Nationaal Monument staat), zoals het gedeelte voor Grand Hotel Krasnapolsky toen werd genoemd, waar de mensen languit in het gras lagen of wat kuierden langs de heesters. Het orgeltje stond dus midden op straat, maar dat gaf niet; trams reden al in geen maanden meer, er was geen stroom en in de hongerwinter hadden de radeloos vermagerde inwoners van de hoofdstad ’s nachts duizenden houtblokjes vanonder de rails vandaan getrokken om die thuis in de kachel te doen. Auto’s waren er ook niet, fietsen ook maar nauwelijks, en bovendien kon je, zoals een aanwezige later schreef, op het Damgedeelte voor het Paleis ‘over den hoofden loopen’. Dat kon je temeer daar haast niemand werk had, de economie lag stil. Nee, dat orgeltje stond daar goed. Het stond er zelfs – maar dat kon orgeldraaier Perlee niet weten – strategisch, en wel zodanig dat het Amsterdam Museum het orgeltje later in zijn collectie zou opnemen als relikwie van deze vrolijke, zwarte Maandag. Het Snotneusje was in de late ochtend nog een charmant, zij het willekeurig geval op houten wielen, een van de 32 draaiorgeltjes in Amsterdam. Vanwege de gebeurtenissen zou het beroemd worden, een icoon van het ongelooflijke.
Hollandse liedjes klonken, het Wilhelmus mocht gelukkig weer gespeeld worden, voor het Paleis (en dicht bij De Groote Club) waren een muziektent en een fraaie houten feesttribune opgetrokken voor de festiviteiten en voor plechtige woorden van notabelen. Uit de koepel boven het Paleis wapperde een oranje vaan, en zo was het enige waar het deze dag nog aan mankeerde de zaligmakende en verlossende aanblik van Canadese tanks. Die verlossers zouden zo wel komen, dacht de aanzwellende menigte.

Rond het middaguur – drie uur voor het salvo – steeg gejuich op. Een kleine colonne van geallieerde voertuigen kwam de Dam opgereden vanaf het Rokin. De drie gepantserde voertuigen van de Britse 49ste Infanteriedivisie – nog slechts verkenners – werden onmiddellijk klemgezet door een uitzinnige mensenmassa. Het onderdeel van de beroemde Polar Bear‐divisie reed voetstaps langs het Paleis, van bovenaf bekeken door tientallen leden van de Kriegsmarine in De Groote Club. De mariniers hingen ontspannen op het balkonnetje, of uit de vele ramen in de Paleisstraat, of aan het hek bovenop het dak, om maar niets van het schouwspel te hoeven missen. Daar zijn foto’s van. Je kunt zelfs een Duitse militair de wacht zien houden op straat bij de Spaanse ruiters. Op zijn gemak. Sterker nog, tijdens het verblijf van de Britse verkenners op de Dam reden enkele meters verderop trucks volgeladen met Grüne Polizei en Waffen‐SS de andere kant op. Dat kon allemaal, het waren gekke dagen.

Een beetje té gekke dagen, vonden de Britse militairen. Ze besloten snel weer weg te gaan uit het centrum: te veel hysterische mensen en vooral te veel gewapende Duitsers én gewapende leden van de Binnenlandse Strijd‐krachten op straat. Dat kon nooit goed gaan. Een lid van de colonne zou Amsterdam later vergelijken met een plas benzine. Eén vonkje en de uitgemergelde binnenstad, waar niemand de baas leek te zijn, waar elk moment alles mogelijk leek te zijn, zou in lichterlaaie staan. ‘Ik voelde me niets op mijn gemak,’ zou oorlogscorrespondent L. Marsland Gardner, die meereisde met de Engelse verkenners, later in The Daily Telegraph schrijven. ‘Duitse officieren werden heen en weer geduwd in de menigte, wier stemming van minuut tot minuut wisselde, schommelend tussen uitgelaten vreugde en razende woede.’ Het Britse 49ste Verkenningsregiment verliet de Dam in de richting vanwaar het was gekomen: terug naar de Leidsestraat en dan door naar de Berlagebrug, ten zuidoosten van de stad.

De drie pantservoertuigen van de Polar Bear divisie rijden over de Dam en twee Grüne Polizei vrachtwagens rijden in tegengestelde richting. Credit: Nationaal Archief/Spaarnestad Photo/Wiel van der Randen.

De uitgelaten vreugde en razende woede moeten luid en duidelijk achter het zinken balkonnetje naar binnen zijn gekomen. Misschien intimiderend luid. Overal stonden de ramen van De Groote Club wijd open.
De Duitsers verbaasden zich over de blijdschap van al die Nederlanders. Vergeleken bij andere landen, zelfs met België, was de bezetting van Nederland kalm verlopen. Natuurlijk, met de geallieerden was na de zomer van 1944 zwaar gevochten in Zeeland en Gelderland, maar hier in Amsterdam was de relatie met de bevolking nogal ruhig gebleven. Ook de toegenomen hardvochtigheid in het laatste oorlogsjaar, de sabotage door verzetslieden en de soms gruwelijke Duitse represailles konden de indruk niet wegnemen dat het vanuit Duits oogpunt al met al erger had gekund. Niet toevallig waren de meeste in Nederland gelegerde soldaten van B-­garnituur geweest. Het kleine, betrekkelijk ongevaarlijke buurland kon wel worden afgedaan met oudere militairen, vaak al vaders met gezinnen die iets te verliezen hadden. En die, nu Hitler onder de zoden van Berlijn lag en generaal Johannes Blaskowitz voor de Duitse nederlaag in de Lage Landen had getekend, absoluut geen zin hadden hun eigen leven op het spel te zetten. Dat gold zeker ook voor de commandant van de Kriegsmarine in De Groote Club, Hauptmann Claasse. Die was al lang geen twintig meer en deed zijn best de orde te bewaren. Elders in Amsterdam hielpen Duitse soldaten mee om de mensen netjes op een afstand te houden als de Britse verkenners langsreden. Of ze wachtten keurig in het gelid tot de overwinnaars gepasseerd waren. Sommigen salueerden. Rare dagen, zoals gezegd.

Na het verdwijnen van de drie gepantserde voertuigen bleef de massa op de Dam. Er zou vast nog meer komen. Leden van de Duitse marine liepen hun steunpunt op de hoek Paleisstraat­‐Kalverstraat in en uit. En wat zij zagen en hoorden van kameraden loog er niet om. De sfeer veranderde. Met name achter het Paleis werden leden van de Kriegsmarine en andere Duitse militairen aangehouden, van hun wapens ontdaan en de politiepost in het Paleis ingedreven. Dat ging verre van zachtzinnig en onder luide toejuichingen van omstanders. Ook daar zijn foto’s van. Er zijn trouwens veel foto’s van de gebeurtenissen op en rond de Dam; menige fotograaf en filmer was er die vrolijke morgen op uit getrokken om de inhuldiging van de bevrijders vast te leggen (onder hen de bijna 29­‐jarige, later bekend geworden cineast Bert Haanstra). Je ziet Duitsers schuchter met de handen omhoog op de grond zitten, als honden in bedwang gehouden door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten.
Dat de burgerbevolking haar wraakgevoelens na jaren van vernedering en ellende de vrije loop liet, was minder opmerkelijk dan dat de BS tot zulke handelingen overging. Afgesproken was dat de BS, een samenwerkingsverband van de belangrijkste verzetsgroepen, het ontwapenen van de Duitsers zou overlaten aan de Canadezen. Nu gebeurde toch waar de Duitsers bang voor waren. Het ene na het andere lid van de Wehrmacht werd opgebracht door lieden die in Duitse ogen niet veel meer waren dan onbehouwen en onberekenbare types in blauwe overalls met een soort van omgekeerde beslagkommen op hun hoofd – minderwaardige quasi-­militairen van wie geen correcte behandeling overeenkomstig het oorlogshandboek kon worden verwacht. Zo bleek ook wel. ‘De militairen werden onder gejoel en gejuich van omstanders door de BS het paleis in geschopt en geslagen’, schreef een aanwezige later aan Het Parool.

Duitsers volgen de gebeurtenissen op de Dam vanaf het dak van de Groote Club. Credit: Nationaal Archief/Spaarnestad Photo/Wiel van der Randen.

De toen achttienjarige Theo Bosma liep door de Kalverstraat naar de Dam. Hij stuitte op de Spaanse ruiters voor De Groote Club. ‘Daarvoor stonden mariniers, ze werden door de mensen gesard, gepest,’ meldt Theo Bosma op de website de-­dam‐zevenmei1945.nl. Op filmbeelden is te zien hoe verschillende aanwezigen door elkaar liepen. Verdwaasde burgers, Duitse militairen, Binnenlandse Strijdkrachten, iedereen deed maar wat in een uitgelaten maar beladen chaos met overal wapens en een groeiende Wild-­West-­stemming. Vaak handelden de BS zoals was afgesproken, kalmerend, gericht op ordehandhaving, gedienstig. ‘Ongeveer twaalf uur passeerde een vrouw met heerenrijwiel en een gevulde jutezak,’ rapporteerde een commandant van de BS. ‘Plotseling een volksoploop en naar waarschijnlijkheid wenschte de burgerij zich van dit geval meester te maken aangezien de vrouw een Duitsche was en voor de Wehrmacht had gewerkt, waarna door ons werd ingegrepen en zoodoende bovengenoemde goederen in ons bezit kwamen.’ De BS’er voorkwam dat de volksoploop er met tachtig kaarsen, twee batterijen en een pak lucifers vandoor ging, ‘bovendien 1 heerenrijwiel’. Fijn – maar zo ging het lang niet altijd.

Er gebeurde nu veel tegelijk, en wel zoveel dat van een exacte en betrouwbare reconstructie geen sprake meer kan zijn. Getuigen spreken elkaar tegen, op veel documenten ontbreekt een tijdsaanduiding of die klopt weer niet met andere documenten. De toen zestienjarige G.M.F. Theuwkens omschreef de gebeurtenissen op de Dam in een brief aan NRC Handelsblad aldus: ‘Ik stond niet ver van De Groote Club toen er midden in het gewoel een Duitse marineman, bewapend met een machinepistool, kwam aanrijden. Hij werd aangehouden en men trachtte hem te ontwapenen. Hij stapte af en met zijn wapen in de aanslag, klaar om te schieten. Voordat het echter tot een schietpartij kwam, werd de marineman door een Amsterdamse politieagent in zijn been geschoten. In hoeverre dit incident heeft bijgedragen aan het daarop volgende drama weet ik niet.’ In ieder geval heeft brievenschrijver Theuwkens de twee feiten ‘altijd aan elkaar’ verbonden.
Het kan zijn. Ook vrouwen speelden een rol. Achter het immense, carrévormige gebouw van De Groote Club loopt een smal steegje tussen hoge muren naar de Nieuwezijds Voorburgwal. De nooduitgang. Via dit pijpenlaatje moet menig damesbezoek zich stiekem in het avonddonker bij de herensociëteit hebben gemeld. Verhalen over minnaressen van prins Bernhard en prins Hendrik doen de ronde. In de oorlogsjaren ging dat ook zo. Op 7 mei 1945 nam een vrouw afscheid van een Duitse marinier op de plek waar het steegje uitkomt op de Nieuwezijds. Dat was onwijs, na de bevrijding konden ‘moffenhoeren’ zich beter verstoppen. ‘Het werd gezien door BS’ers’, aldus een brief van een getuige in het archief van het Verzetsmuseum. ‘Ze gingen naar dat meisje toe om haar te pakken. Toen begon die Duitser te schieten en werd er door de BS’ers vanaf het Geldkantoor geschoten.’ Het Geldkantoor – tegenwoordig een filiaal van Albert Heijn – was een massieve en strak vormgegeven dependance van het meer gotische en renaissancistische Hoofdpostkantoor ernaast. In beide gebouwen zaten ex-­verzetslieden. Die hadden de gebouwen deze ochtend, op eigen gezag, al overgenomen van Duitse militairen om hen vervolgens naar de politiepost in het Paleis te brengen.
Deze ongewenste ontwapening door BS’ers zal hebben bijgedragen aan het kwaad en/of bang maken van de Duitsers in De Groote Club. En daar bleef het niet bij. Op het Damrak bemoeiden zelfs groepjes burgers zich met de aanhouding van loslopende Duitse militairen. Op de Nieuwezijds werd een Duitse legerauto die uit de richting van het Centraal Station was komen aanrijden tot stoppen gemaand door BS’ers. De twee inzittenden werden met de handen omhoog naar het Paleis geleid, en zo ging het maar door.

Dit is een preview van

Vrolijke, zwarte maandag

door Auke Kok van Fosfor

Volgens de mythe begonnen de Duitsers op 7 mei 1945 zomaar te schieten op de feestvierende menigte op de Dam. Maar was dat wel zo? Was het Dam-incident wel een incident?

Longread met foto's, video en geïntegreerd luisterboek / 13.000 woorden, leestijd ca. 65 minuten